zwervers

Ik sta met een waterkoker in mijn rugtas tegen een hek bij de voorzijde van Amsterdam Centraal. Meisjes en jongens zetten hun fietsen neer op de vastgelegde boot, het fietseiland. Het water in de gracht veert af en toe mee. Heel zacht deint het, je hoort het amper klotsen.
‘Terugkomen is iets anders dan blijven’ lees ik. Verderop staan de woorden tegen de wand van de onderzijde van de brug. Ik ben er wel vierhonderd keer langsgelopen, voorbijgefietst. Het rook onder die brug altijd naar zwervers, naar de gore uithoeken van de stad. Toen ik de zin voor het eerst las, vond ik hem lelijk. Ongepast en vreemd. Alsof de schrijver niet had begrepen wat zij in de woorden had gelegd. De balans kieperde van de zin af. Sommige dagen van het begin, andere dagen van het einde. Nu ik hier sta, met een onbenullig voorwerp tegen mijn rug gedrukt, snap ik het. Mensen laten elkaar bijna nooit terugkomen.