voorbijganger

De dingen die ik Lena vertelde te doen

Houd op je te verstoppen achter de kaften van boeken
namen van mannen die al decennia lang dood zijn,
verf je haren, stift je lippen rood, plak glitters onder je ogen,
eet geen vlees meer, koop alleen nog maar tweedehands kleding,
doe in elk geval alsof je gelooft in wie je bent,
sla de maandagen over en jank om dode huisdieren,
om beatlesliedjes of de gravures van steden in het gezicht van je oma,
ga uit en zoen drie jongens op een avond, breek een hart,
breek je eigen hart,

word dronken of blijf heel erg nuchter in straten die zichzelf verliezen,
verdwaal, stamp in versgevallen sneeuw, lik bevroren lantaarnpalen,
steek je bebloede tong uit naar voorbijgangers,
wees onzeker, bijt je nagels af, ruk behang van de muren,
maak al je foto’s in zwart-wit en
leer dan pas gedichten uit je hoofd,
vertel iedereen dat je beter kunt schrijven dan: Couperus, Mulisch, Grunberg,
schrijf vervolgens nooit iets, schreeuw tot je keel ruw en rauw is-

(Ze las een boek over Spinoza, zei dat ze zo op haar buurjongetje moest passen, zette nog thee voor me en vroeg of ik meeging eendjes voeren in het park.)

Onze ogen zijn naamloze ramen
in een flatgebouw, stille levens
erachter, vergeelde vitrages
gesloten. We slaan met deuren
die als kluizen klinken, het is maar goed
dat ik in steeds kleinere hoeken pas.

Toekomstige nostalgie beslaat
de glazen tafel, de weerspiegeling
van je frons stolt als kaarsvet.

Ik lever me in
voor statiegeld;
opgeslokt, omgesmolten
lossen we op
tot voorbijgangers, volgend jaar
beter.