verstas

300 Basic Dutch Words

This vocabulary list containing 300 basic Dutch words is based on this post by @funwithlanguages. I’d like to thank @fortunataly for proofreading the entire list and correcting my mistakes, which was incredibly nice and helpful!

FIRST VERBS

1. to be: zijn
2. there is: er is
3. to have: hebben
4. to do: doen / maken
5. to go: gaan
6. to want: willen
7. to can: kunnen
8. to need: nodig hebben
9. to think: denken
10. to know: weten
11. to say: zeggen
12. to like: leuk vinden, mogen
13. to speak: spreken
14. to learn: leren
15. to understand: verstaan, begrijpen

CONJUNCTIONS

1. that (as in “I think that…”): dat
2. and: en
3. or: of
4. but: maar
5. because: omdat (soms doordat)
6. so (meaning “therefore”; e.g. “I wanted it, so I bought it”): (al)dus
7. if: als

Keep reading

Dutch Phrases for beginners

Spreekt u Engels? Do you speak English?

Spreekt er iemand Engels hier? Does anyone here speak English?

Ik spreek maar een klein beetje Nederlands. I only speak a little Dutch.

Ik spreek niet erg goed Nederlands. I’m not very good at Dutch.

Ik versta het niet. I don’t understand.

Ik begrijp het heel goed. I understand perfectly.

Begrijpt u? Do you understand?

Verstaat u mij? Do you understand me?

Ik versta u als u langzaam praat. I understand you if you speak slowly.

Wat zei u? What did you say? 

Ook in Maastricht voert mijn werk me naar achterafzaaltjes in de krochten van de stad. Deze keer op bezoek bij de oudste jeugddrumband van Nederland eh Limburg. Ze doen mee met Ode to Dignity. Penningmeester (al 37 jaar!) EN voorzitter(iets minder lang) Leon laat me foto’s zien van zijn tijd in de Hoofdwacht op t vrijthof. Van zijn vrouw (52 jaar getrouwd!) krijg ik koffie met extra suiker en melk. Ouders en kinderen drwalen wat rondom de opgestelde instrumenten. Dit is mooi. En helemaal in t Limburgs. En ik versta t! Het meeste iig. #dag87

Dutch Dialog
  • Dutch
  • Person 1: Goede morgen. Spreekt u Engels?
  • Person 2: Sorry, ik spreek geen Engels.
  • Person 1: Ik spreek maar een klein beetje Nederlands.
  • Person 2: Geen probleem. U spreekt heel goed.
  • Person 1: Ik word nerveus als ik Nederlands spreek.
  • Person 2: Ik versta u heel goed.
  • English
  • Person 1: Good morning. Do you speak English?
  • Person 2: Sorry, I do not speak English.
  • Person 1: I only speak a little Dutch.
  • Person 2: No problem/That's alright. You speak well/You're doing fine.
  • Person 1: I get nervous when I speak Dutch.
  • Person 2: I understand you very well.