verhouding

Een filosofische les

Er zijn twee krachten voortdurend aanwezig in mij: een levenomhelzende en een levenbeschouwende. Soms zijn omstandigheden zo dat er sprake is van een evenwichtige verhouding tussen nabijheid en afstand. Bij echte schaamte, pijnlijk gemis en ware angst is van afstand geen sprake. Dan is het vooral het lichaam dat regeert: het wordt klein en stulpt naar binnen, het rekt uit tot een holte ontstaat, het wordt hard en star. Mijn geest lijkt dan opgeslorpt door mijn lichaam. Soms (best vaak) is mijn geest de baas.

Ik kwam na misschien wel twintig jaar weer even in een kamer die ooit deel uitmaakte van mijn leven en waar dingen totaal veranderd waren en dingen onveranderd leken. Ik keek mijn ogen uit en waar in mijn geest een soort wervelwind van droge blaadjes leek te ontstaan, had alles in de kamer een  vanzelfsprekende plek – niet in een strenge orde, maar juist in een losse chaos. Het stond er vol met kasten, tafels, een gedemonteerde roeimachine, een soort technische camera, een computer, een kruk, een stoel, studio-lampen. Overal zwierven dingen rond. Aan de muren hingen veel foto’s: van een jonge vrouw (enkele decennia later in de kamer aanwezig), van een man (ook in de kamer, en met wie ik ooit geleefd heb) op de fiets, met een stralend meisje op zijn nek. Dat meisje, hun dochtertje, leeft niet meer. Ik zag een klein jongetje, hun zoon, zo mooi en perfect als een kind kan zijn. Nu is hij een man die duizend kilometers oostelijker woont en die hartstochtelijk op zoek is naar een vorm voor zijn leven. En ik dacht aan mijn eigen jaren daar in het huis. Dat alles ontroerde mij zeer, en tegelijkertijd nam ik alles heel bewust en kalm in mij op.

Voor de man, in wiens kamer wij stonden, vormen (natuur)filosofie en fotografie twee van de belangrijkste draaipunten in zijn leven. Al jaren achtereen fotografeert hij naturalia. In de chaos van zijn werkkamer, met de meest eenvoudige middelen denkbaar, waaronder een deels zelfgefabriceerde technische camera maakt hij opnames van de nederigste takjes, besjes, blaadjes, aren en pluimen. Dat wil zeggen: hij maakt soms wel twaalf opnames van het zelfde object en voegt ze samen in zijn computer. In al hun natuurlijkheid zijn de gefotografeerde objecten dus een zorgvuldige en zeer tijdrovende constructie, uit hun nietigheid opgetild en hun verdwijnen een halt toegeroepen. Wat, zo vraag ik me af, betekent de titel die hij zijn site gaf: ‘The integrity of natural objects and processes’? Is het dat wij als kijkers moeten beseffen dat de uiterst verfijnde  techniek waarvan hij gebruik maakt in essentie de autonomie (de integriteit) van die blaadjes, takjes enz. niet kán aantasten? Maar is het ook niet zo dat álles, organisch en anorganisch, dus ook wij mensen, dingen in de wereld zijn, onderhevig aan tijd en ruimte? In die ambiguïteit leeft de mens. De ogenblikken in die kamer waren een filosofische les.