van vallen

(een zomer)

hoe wij lachten, alsof het leven nooit schoner geweest was 
maar vooral alsof het niet slechter geweest was, alsof wij nog niets meegemaakt hadden en er niet op dat moment in onze harten dingen aan stukken vielen

hoe wij dansten, alsof wij voor het eerst echt vrij waren
maar vooral alsof het de laatste keer was, alsof onze voeten ons hierna nooit meer dragen zouden, alsof wij zelf misschien wel in stukken uiteen zouden vallen

hoe wij liepen, alsof wij niet konden wachten om de toekomst te zien
maar vooral alsof we zo het leven konden ontlopen, in de hoop dat het in de toekomst dan beter was, alsof wij onszelf trachten te ontlopen, en elkaar daarbij vergaten

hoe wij droomden, alsof niets ons tegenhouden zou
maar vooral alsof we nog konden dromen, alsof wij niet al lang de dromen naast ons neer hadden gelegd, alsof wij niet al lang beseften dat wij slechts droomden om teleurgesteld te worden

kunnen wij nog één keer zo een zomer beleven? zo één waarin we lachen en dansen en lopen en dromen, alsof het voor één keer niet allemaal verloren zal gaan wanneer de bladeren weer vallen

Voordat alles begint

Dingen zijn het mooist wanneer ze net beginnen. Eigenlijk nog mooier wanneer ze nog nét niet begonnen zijn. Een eerste oogcontact, de omhoogtrekkende mondhoeken naar een glimlach, de geur van groeiend lentegras, de twaalf klokslagen aan het begin van een nacht. Het begin van de nacht. Dat de zon zakt en de dag ook, en dat het die paar luttele seconden eigenlijk nog helemaal niets is. En dat je aan alles voelt dat het iets bijzonders is, dat het ‘iets’ gaat worden, maar dat er nog niets aan verbonden zit. Nog geen angsten, geen jaloezie, geen verwijten, geen verwachtingspatronen, geen oorzaak-gevolg. Alleen die paar onrealistisch romantische seconden, die tussen het tikken van de klok vallen en je laten geloven dat het leven zo moeilijk niet is.

Als je opgroeit met de woorden: “het is beter om gezien te worden dan gehoord”, leer je om je stem op te geven.
Je keel wordt doorgesneden door
een geschiedenis van stilte, 
kind, weet je dan niet dat niemand iets geeft
om wat je te zeggen hebt?

Toen ik 7 jaar oud was, was het de eerste keer dat mijn vader me zei dat ik m'n mond moest houden, zijn gedonder was veel sterker dan mijn regendruppels dus ik deed wat hij me opdroeg.
Ik leerde hoe ik mijn mond moest houden, totdat bloed de binnenkant van mijn tanden bedekte.
Ik was een kind dat geen enkele traan liet, omdat geen enkel persoon wou weten hoeveel pijn het deed om niet gehoord te worden.


Ik was 10 jaar toen mijn beste vriendin, mijn ideeën voor de eerste keer “stom” noemde,
en dat deed mijn gedachten op zichzelf instorten.
Ik had niemand nodig om me te leren hoe ik moest zwijgen want mijn woorden waren al een straf op zich.
De enkele keren dat mensen reageerden op wat ik te zeggen had, was het om te lachen om wat ik zei.
Wisten ze maar dat hun gegiechel als messen in mijn huid sneden.


Ik was 13 toen mijn klasgenoten me voor de eerste keer “het meisje dat nooit spreekt” noemde, maar op dat punt in mijn leven was ik niet eens zeker of ik het wel kon, mijn stem was een vervaagde vreemdeling in mijn lichaam. In mijn gedachten, verloor ik de mogelijkheid om mensen te vertellen dat ik echt was, dat ik nog steeds bestond, dat ik iemand nodig had om naar me te luisteren.


Ik ben nu 16 en heb mijn weg naar woorden als stotterend en struikelend gemaakt, ik heb de angst en bezorgdheid die achter in mijn keel verstopt zat, vervangen door geluid en het voelt geweldig om eindelijk te kunnen spreken-
Maar nog steeds zijn er dagen dat mensen me aankijken alsof ik geen vrije meningsuiting verdien te hebben, er zijn nog dagen dat ze me neerschieten omdat ze geen nood hebben aan mijn onenigheid aan te horen en er zijn nog dagen dat ik bang ben om mijn woorden van overtuiging uit mijn mond te laten rollen, omdat ik zogezegd nog geen weet heb van wat er in de wereld omgaat.
Net dat zijn de dagen dat ik het liefst terug in de stilte zou willen vallen.

—  Dagen Van Stilte
Elk einde is plotseling

Ze zat op de rand van zijn bed, de haarborstel in haar hand. Naast haar lag haar stapeltje kleding, keurig opgevouwen. Hij had het net naar haar gebracht, gisteravond had ze niet eens gezien dat hij met zoveel zorg haar kleding apart had gelegd. Zijn overhemd en broek lagen gewoon nog op de vloer. Hij zat achter haar, zijn armen lagen losjes rond haar middel en met zijn wang raakte hij de blote huid van haar rug. Ze glimlachte en aaide even over zijn been. “Ik wil ermee stoppen,” zei hij. Er gebeurden een paar dingen tegelijk. Zijn armen gleden weg van haar middel, zijn wang verdween van haar rug, ze was halverwege een nieuwe borstelbeweging geweest, maar haar hand bleef hangen. “Wat?” zei ze. Hij begon zijn zin te herhalen, ze draaide zich om en onderbrak hem. “Ik hoorde je wel, maar wat zeg je nu? Je wil ermee stoppen?” Hij was tegen de muur gaan zitten, zijn knieën tegen zijn borst getrokken, hij ontweek haar blik niet. Ze had een flintertje hoop dat het een ziek grapje was, dat hij zometeen giechelend van plezier om zou vallen, dat het niet echt was. Zijn gezicht vertoonde geen twijfel, de enige lach die op zijn gezicht verscheen was klein en vol medeleven, zonder dat er spoor van spijt te bekennen was. Meer nog dan wat hij had gezegd, confronteerde die blik haar met het einde, en hoe het haar overviel.

Hij knikte. “Ik heb nagedacht over ons, over de moeite die ik voor je doe, alle kleine abnormale dingen die nog voor niemand anders heb gedaan. De tijd die ik voor je reserveer, maar ook de openheid die ik met je probeer te houden, het gebrek aan grenzen, muren, toneelspel.” Hij ademde diep in en uit. “Met die openheid komt risico. Ik ben kwetsbaar, eenvoudig te raken met kleine dingen, plots bang je te verliezen, onzeker over wie ik ben.” Hij keek haar lang aan. “Ik vroeg me af of je die angst waard was, of je zo’n invloed moest hebben. Uiteindelijk viel het me op dat mijn onzekerheid je niet genoeg deed om het te willen voorkomen, als ik het wilde bespreken ontweek je de discussie door te zeggen dat je je er slecht door voelde.” Ze keek naar haar handen en liet de afgelopen maanden passeren. Haar hart bonsde luid in haar keel, klam zweet liep over haar lichaam. Had ze genoeg energie in hem gestoken? Had ze naar hem geluisterd, zijn kwetsbaarheden gezien? Ze wist het niet meer, de afgelopen maanden waren hectisch geweest, met een verbroken vriendschap, onzekerheid op haar werk en de frustraties van een nieuw huis vinden. Hij was er geweest, had haar aangehoord, ondersteund. “Het is niet leuk meer,” zei hij. “Er is niets leuks meer aan.” 

Ze keek naar zijn gezicht, voelde de machteloosheid groeien. “Ik wilde dat er iets was dat we konden doen,” fluisterde ze. Hij stond op van het bed, plukte zijn overhemd van de grond en begon het dicht te knopen. Voor het eerst brak er iets in het kalme masker, zijn stem trilde, zijn ogen keken langs haar heen. “Ik ook,” zei hij.

Zelfportret 2.0     (2015) 

Bij het vallen van de avond stond ik voor de spiegel en na het tellen van een sproet of twee en een striem of drie, dacht ik aan hoe vaak ik eigenlijk niet gezien wil worden. Misschien dacht ik ook wel aan de honderd manieren waarop je uiten kan dat je niet van jezelf houdt. Misschien waren het er wel honderdtwee of tweehonderddertien; ik vergeet veel, te veel, te vaak. Zo vergeet ik soms het verschil te zien tussen rijzen uit een dal en reizen door een dal. En ik ben vaker gevallen dan knieën of enkels echt dragen kunnen (soms voel ik de korsten nog zitten). Maar ik ben steeds weer recht geklommen en daar draait het om, toch? Dat je vandaag vechtlust durft te eten en ergens weet dat morgen er steeds weer is; dat willen leven in je hoofd kleeft zoals drijfzand aan je voeten. En ‘t is waar, ik moet ongetwijfeld nog leren springen zonder bevende vingers en knikkende knieën en op tweehonderdachttien manieren luidkeels leren zingen hoe van mezelf te houden. Ik moet leren dat mensen niet aan winterslapen doen (ook al liggen donzen dekens ontzettend fijn) en leren dat een Wij bestaat uit Jij en Ik en Jullie. Ik moet leren dat koude dagen ook in zomermaanden kunnen voorkomen en dat proberen niet steeds een staande ovatie garandeert. Ik moet nog veel leren, maar dat is OK. Laat de wereld intussen maar wat spinnen en tollen, want ook al draait de wereld dol, ze draait nog steeds rond de zon, toch?

Ik zal je zeggen dat fouten maken oké is. Dat je pas verliest als je opgegeven hebt. Ik zal je zeggen dat je op je tanden moet bijten en dat het leven te mooi is om foert te zeggen. Ik zal het laten klinken alsof ik het meen. Alsof ik de wereld aankan en weet waarover ik praat, maar zelf zal ik opgeven bij het minste dat fout gaat. Ik ga ervoor of ik doe het helemaal niet en ik zal even snel dichtklappen, dan dat ik mij heb opengesteld. Zelfs als ik iets leuk of interessant vind, mag er niets tegenvallen of ik stop er mee. Ik denk altijd zwart-wit, zet alles lijnrecht tegenover elkaar en neem dan het uiterste. Ik kan bruisen van het zelfvertrouwen en ontzettend gemotiveerd zijn, maar één seconde later kan ik mij zo waardeloos voelen en in een neerwaartse spiraal van leegte vallen. Ik doe geen water bij de wijn. Ik drink water of ik drink wijn.

2

Schaamte.

Het zijn de te luide lachen, de striemen op onze heupen, de littekens op onze armen, de gevoelens voor iemand, de afwezigheid van ruimtelijk inzicht of juist de overvloed van, de angst voor vreemden maar ook de nieuwsgierigheid naar.

Schaamte.

Het is op een podium kruipen, maar ook het vallen van. Het zijn alle dingen waar mensen zich liever van zouden ontdoen. Maar aan de andere kant deel uitmaken van hun geheel en ze zonder niet zouden zijn wat ze nu zijn.

Schaamte.

Verzonnen door een vergiftigde maatschappij. Onbekend bij kinderen. Iets waar we ons eigenlijk niets van hoeven aantrekken omdat we zonder al onze onzekerheden perfect waren. En niemand is perfect. Gelukkig maar.

Schaamte?

Liever niet.

28/06, voor jou.

We zeggen dat we de hele dag in bed willen liggen, sommigen met een filmpje, een zak chips, aardbeienmilkshakes, chocoladekoekjes. We zeggen dat we onszelf willen verliezen in de zondagse lakens, we beweren dat we roerloos willen opgaan in de lucht, maar eigenlijk willen we vliegen. Eigenlijk willen we dat iemand ons bij de hand sleurt, het dak opklimt, naar de horizon wijst en zegt: ‘tot daar zal ik je liefhebben.’
Eigenlijk willen we het gevoel van vallen, van voeten op het dashboard en iemand om mee te zingen, eigenlijk willen we ons lichaam van een rotsblok laten afduwen en weten dat we in twee warme armen zullen terecht komen. Eigenlijk willen we de wereld.

Boer Zoekt Vrouw 2015, aflevering 8: Een lied van André van Duin en een lied van Ennio Morricone en een speech van een zekere Martin Luther King.

Het spiet mie donders mensen, dat jullie dit nu pas lezen. Ik lag gisteren geveld door rugpijn in bed. Zielig he? Ja, vond ik ook. Ik kon amper ademhalen. Ik takel af. Ik ben dan ook bijna dertig. Het was allemaal heel erg. Tot ik me bedacht dat lezeres Annemieke deze blogs altijd leest tijdens haar chemokuur op maandag, en toen vond ik mezelf ineens een ontzettende slampamper en sukkel en een afhaker. Sorry Annemieke! 

Keep reading

Even niets

Een uur eerder dan afgesproken gaat de bel. Ik droog mijn natte handen aan de theedoek en loop naar de voordeur. Buiten slaat de regen nog altijd tegen de ramen. Als ik de deur open doe schiet ze langs me, een natte schim in donkere kleding. Verbaasd loop ik haar achterna, de theedoek nog altijd in mijn handen. In de kamer staat ze te druppen op het kleed, haar jas ligt naast haar voeten. Ze heeft haar armen om zich heen geslagen. “Ben je komen lopen vanaf het station?” vraag ik als ze niets zegt. Ze knikt. Donkere kringen liggen onder haar ogen. “Had gebeld,” zeg ik, terwijl ik naar de badkamer loop voor een paar handdoeken en mijn badjas. Als ik terugkom heeft ze haar doorweekte kleding uitgetrokken. Ik droog haar grondig af maar niet te ruw. Ze duwt haar neus even tegen mijn borst en zucht. “Mijn telefoon was leeg,” klinkt het zachtjes. “Niet goed opgeladen. En ik was zo moe en wilde gewoon weg en ineens was ik hier. Maar toen wilde ik niet op het station wachten.” We blijven even zo staan. Dan laat ik de handdoek van haar rug vallen en help ik haar in mijn badjas. Hij is haar veel te groot, maar ze ziet er in ieder geval niet meer zo koud uit.

Ik kook eerder dan normaal. De fles wijn blijft dicht, ze heeft er geen zin in en alleen drinken doe ik niet meer. Terwijl ik de aardappelen schud en op de kip in de oven let zit ze op mijn aanrecht. Ze heeft haar ogen vaker dicht dan open. Als ik mijn hand even op haar knie leg schrikt ze wakker. Een klein lachje speelt om haar mond als ze me aankijkt. Haar hand ligt op mijn arm, reist naar boven over mijn schouder en stopt in mijn nek. Ik ben blij dat we eindelijk zoenen. Niet omdat ik niet zonder kan, maar meer omdat we nog in geen enkele situatie niet hebben kunnen zoenen.

Tijdens het eten streelt ze mijn benen met haar blote voeten. Oogcontact is schaars, ze voelt zich nog altijd opgelaten als ik kijk hoe ze het bestek vasthoudt, hoe ze soms schuift met de dingen op haar bord. Als ik naar haar kijk voel ik me een vijver waar ze steentjes in aan het gooien is. Alles golft en beweegt en zolang ze in de buurt is word ik niet rustig, maar het is niet erg om een storm in mijn hoofd te hebben als zij maar in mijn buurt blijft. Het kan me niet schelen wat ze is, zolang ze het maar blijft.

Ik ruim op, zij opent haar laptop voor wat werk. Als ik uit de keuken kom met twee koppen thee staart ze uit het raam. Er is geen letter op papier gekomen. Ik open een lade van een kast en haal er een pakje sigaretten uit. Ze haalt haar wenkbrauwen op als ik er twee sigaretten uit haal en het raam open. “Je haat het als ik rook,” mompelt ze als ze naast me komt staan. Ik knik en steek haar sigaret aan. “Ik haat het nog meer als je je zo voelt. Ga zo maar douchen en in bed liggen. Je hoeft niet op te blijven.” Ze blaast de rook naar boven en kijkt me dankbaar aan. Kort kust ze me op mijn wang. “Je prikt,” mompelt ze terwijl ze naar de badkamer loopt. Ik blijf bij het open raam staan wachten tot de frisse lentelucht de donkere gedachten uit mijn hoofd neemt.

Twee uur later ga ik naar bed. Wellicht heb ik toch van de wijn gedronken. Ze ligt aan de kant waar ze gewend is te liggen, haar rug naar me toe. Ze heeft weer liggen draaien, het dekbed ligt maar half over haar heen en als ik mijn vingers over de blote huid laat gaan voel ik hoe ze is afgekoeld. Voorzichtig herschik ik het dekbed. Ze maakt wat geluid, draait iets naar me toe en dan weer terug. Ik stap voorzichtig in bed en val op het ritme van haar ademhaling in slaap.

Ik word wakker van haar lippen tegen mijn nek. Ik slaap altijd lichter als ze naast me ligt, maar dat weet ze niet. Het is één van de vele dingen die ik liever voor haar verzwijg. “Ik hoop dat je nooit verdwijnt,” mompelt ze zachtjes. Ik blijf liggen en hou mijn ademhaling rustig, terwijl ze voorzichtig probeert haar armen om me heen te slaan. Als ze zachtjes aan me schudt draai ik me om. Meer dan contouren van haar gezicht zie ik niet. “Niets zeggen,” zeg ik terwijl ik haar haren streel. “Gewoon, even niets zeggen.”