van de straat

Het komt razendsnel naar beneden gedonderd of heel langzaam om de hoek van de straat gekropen, maar het is er altijd en het zal er altijd blijven
—  Dat kleine stukje verdriet die diep vanbinnen nog steeds vast zit
verhaaltje, deel 1/?

Als ik de supermarkt uit wandel brandt de straatverlichting reeds. Ik kijk even om me heen. Aan de overkant van de straat zie ik een oudere dame. Ze is de enige die hier momenteel rondloopt. Nu is mijn kans. Ik stap recht op haar af. ‘Excuseer mevrouw, mag ik u even iets vragen?’ De dame kijkt verrassend opgewekt naar mij. ‘Dat mag u, jongeman. Wat kan ik voor je doen.’, antwoord ze vriendelijk. ‘Wel, het zit zo, euh.’, zeg ik met een kleine stem, terwijl ik aan mijn achterhoofd krab. ‘Ik ben daarnet mijn portemonnee verloren, gestolen denk ik. Zou u mij wat kleingeld kunnen geven zodat ik de trein naar huis kan nemen?’ Ze kijkt me wat achterdochtig aan en zegt, ’Dan moet ik eerst je naam weten jongeman.’

Ik heet To.. Sam Tolleneer, mevrouw.’

Even lijkt ze nog te twijfelen, maar vraagt glimlachend, ‘Is twee euro voldoende?’ Wat moet ik daar nu op antwoorden? Neen, dat is helemaal niet voldoende, daar kan je nog geen brood mee kopen? Ze denkt waarschijnlijk dat we nog in de jaren ‘40 leven, maar het is beter dan niets, dus ik accepteer het met open armen. ‘Natuurlijk, hartelijk dank, mevrouw.’ Ze haalt een dunne bruine portemonnee uit haar lederen handtas, die met een klein klikgeluid open gaat, en haalt er een muntstuk van twee euro uit. ‘Zo, alsjeblieft Sam. Mijn goede daad voor vandaag zit er op.’, zegt ze met een brede glimlach terwijl ze het muntstuk in mijn hand laat vallen. Ik bedank haar nog een tweede maal en stap richting het station uit. Na een aantal minuten stappen, kijk ik even over mijn schouder heen. De oude vrouw is niet meer in zicht. ‘Eindelijk.’, denk ik bij mezelf. Nu kan ik mijn fiets terug gaan halen. Die ik zorgvuldig heb verstopt, in de fietsenstalling aan de supermarkt. Een onopvallende grijze herenfiets, waar ik de stickers, met het logo op, van verwijderd heb. Op naar het volgende dorp. Hopelijk vind ik deze keer wel weer een slaapplaats.

Een goed uur, zeventien minuten en tweeëntwintig kilometer verder, ben ik eindelijk aangekomen in het andere dorp. De zon is ondertussen vervangen door een halve maan. Ik plaats mijn fiets aan een lantaarnpaal en neem het kettingslot uit mijn zwarte rugtas. Eenmaal als ik mijn fiets op slot gedaan heb, begin ik mijn ronde van deur aan deur bedelen voor een slaapplaats. Onder het motto dat ik een experiment uitvoer voor een school. Ik sta bij een huis dat de nummer 102 draagt. Ik duw op de bel en welgeteld zeven seconden later gaat de deur open. Er staat een vrouw van in de dertig jaar in de deur opening. ‘Voor wat is het?’, vraagt ze kort. Haar stem klinkt kil. ‘Beste, mijn naam is Sam Tolleneer. Ik voer een experiment uit voor school, waar ik met de fiets door het land reis en bekijk hoe gastvriendelijk de mensen in de streek zijn. Nu is mijn vraag of ik hier mag douchen en overnachten?’

Leuk initiatief, maar wij kunnen je niet opvangen.’, antwoord ze en zwaait meteen de deur toe. Ik haal diep adem en ga een paar huizen verder nog eens proberen. Ik duw op het kleine plastic knopje, waar de naam, ‘Johan en Inge De Brauwer’, naast geschreven staat. Enkele tellen later gaat de deur open. Een oudere man kijkt me streng aan. “Wat kan ik voor u doen?”, vraagt hij schor. ‘Beste, mijn naam is Sam Tolleneer. Ik voer een experiment uit voor school..’, maar nog voor ik mijn zin volledig kan uitspreken, onderbreekt hij mij, ‘Wij kopen niet aan de deur.’, en gooit zonder meer de deur toe.