traags

Geraakt

Je hebt me geraakt. Sommigen zouden het beschrijven als beschadigd, maar dat gaat mij te ver. Schade zou betekenen dat ik niet meer goed functioneer als gevolg van je acties. Ik functioneer volledig. Precies zoals ik deed voordat ik besefte dat ik liever met jou was dan met mijn beste vrienden. Ik functioneer zoals ik dat deed ver voordat je begon te spelen met de knopen op mijn overhemd, ik leef zoals ik deed voordat we traag in de keuken stonden te dansen terwijl de pasta weer aan de kook moest raken.

Door jou weet ik dat het verdwijnen van sommige dingen een leven niet slechter maakt, enkel minder goed. Door jou let ik minder op de weg en meer op de lucht wanneer ik fiets. Door jou geef ik meer gas in de bochten en in de piepende banden hoor ik je af en toe nog uitgelaten lachen.

Het eerste weekend na de val ben ik gewoon naar je toe gegaan. Halverwege bedacht ik me pas hoe lang we al uit elkaar aan het vallen waren. Ik had beter moeten weten, maar ik was verliefd, en als je verliefd bent hoor je komma’s waar punten staan. Ik probeer alles wat je tegen me hebt gezegd in de laatste weken terug te halen om te horen of je je vertrek wellicht subtiel hebt aangekondigd, maar het enige wat ik terug weet te halen is dat wat ik zal gaan missen. 

Ik heb je gisteren gebeld. Er zijn hier nog wat spullen die je makkelijk kunt vervangen, maar ik gooi ze nog niet weg. Wellicht sta je morgen voor mijn deur om te vertellen dat het allemaal een fout is geweest. Hoop, wat een giftige belemmering wanneer je niet moet blijven hangen. Maar als ik hierin niet blijf steken zal je hoe dan ook vervagen tot iets wat je niet bent geweest. Dat is verspilling, en net zoals jij probeer ik goede dingen niet onbenut te laten.

Als 'moeheid' je leven overneemt

Er bestaat een niet uit te slapen vermoeidheid. Wat je ook doet, je blijft moe zijn. Je slaapt liefst de hele dag maar na een tijdje ben je zelf moe van al dat moe zijn, van al dat slapen. Je bent moe van het niets doen, van het nutteloos zijn. Moe van met je zelf opscheept te zitten. Je word lastig, je verveelt je, de seconden op de klok tikken traag weg, naar waar weet je niet. Op wat je wacht eindelijk ook niet.

7

The return of Traag, and a new one named Granitor.
First off, the camera angle they use when introducing these two is important: if you pay attention, it’s just Leo we see from behind looking up at these two monsters as they walk out. That’s super important to note, because it helps emphasize a significant thing about Leo here. The camera angle flips, and we get to see Leo’s expression for a quick moment when the monsters are revealed. It’s fear. It’s stress. It’s anxiety. Leo hasn’t seen Traag since the night he almost died. And now’s back face to face with not only one, but two. It’s like a trigger, he remembers what happened that night. It’s like a sign of a little PTSD, which is so awesome because he didn’t seem to phased by what happened that night of the first Kraang invasion. And we finally get a small sign that that night did have some kind of impact on him. All from this one little moment, this one little facial expression. I love it.
But even more important than that, Leo also looks overwhelmed. For a second, he doesn’t know what to do, he doesn’t know how to handle this situation. Leo takes small steps back, not knowing how to approach this. He’s freaking out, because he understands that there are bigger things than he’s faced already. This moment of fear that he feels, it’s definitely going to come into play next episode, when he has to figure out how to lead his team against an army bigger than anything he’s ever faced. Add this on top of everything that’s happened to our leader in blue over the last few episodes, and we can so clearly see that Leo is starting to lose it. That’s going to be huge in the finale we’re about to see.

Read more about what I thought here.

Weerhaakjes

We drinken, omdat jij het gewend bent te drinken bij je eten en omdat ik niet wil dat je in je eentje drinkt, want je wordt somber als je de enige bent die drinkt en gisteravond huilde je ook al. Ik slik de wijn door, je wangen zijn alweer wat roder geworden, je koude voeten bewegen sluipend onder tafel in de richting van de mijne. Morgenochtend heb ik een hoofd vol spinrag en ledematen die twee keer zo traag lijken te bewegen, dit is waarom ik liever niet drink. Ik heb het je uitgelegd maar je begreep het niet, het is mijn eigen schuld dat ik het niet nog een keer heb geprobeerd.

Ik sta op, mijn hoofd is draaierig van de wijn. De borden zet ik in de gootsteen, ik hoor hoe je door je kamer loopt, spullen opruimt, de muziek zachter zet, de kaarsen uitblaast. Ik blijf iets langer in de keuken staan zodat we ons niet tegelijkertijd uitkleden, ik wacht tot ik het bed hoor kraken. Je vraagt waar ik bleef, ik geef antwoord maar niet op je vraag. Ik kleed me uit, ga naast je liggen. Je bent te warm, je klemt je te stevig tegen me aan, ik voel wat je zegt zonder dat je de woorden uitspreekt en ik ben dankbaar dat het stil blijft, ik wil geen gesprekken voeren over wat we precies zijn of wat het betekent, ik wil het niet hebben over liefde, ik ben te vaak te gretig geweest om het te vinden waar het niet was en het blijft in mensen steken met weerhaken, je kunt het niet terugnemen zonder dat er iets sterft. Je zucht en ik hoop dat je snel slaapt zodat ik weg kan rollen en mijn rug naar je toe kan draaien maar ik voel dat je wakker blijft, naar het plafond ligt te kijken of misschien probeer je wel in het donker mijn gezicht te zien, ik zie het niet, ik heb mijn ogen gesloten en wil gewoon dat het stil wordt.

“Het werkt niet he?” Ik schud mijn hoofd en ik vloek vanbinnen zachtjes en het spijt me maar je hebt gelijk en ik haat dat het met jou ook niet werkt, dat het nu weer te kalm en te rustig is en dat bij een ander weer te onstuimig en onzeker is geweest en dat er nauwelijks mensen lijken te bestaan waar ik bij kan zijn en blijven en niet het gevoel krijg dat ik te veel verwachtingen schep of te weinig kan bieden. Je zit op de bedrand, je handen trillen. “Even wat water drinken,” zeg je en ik weet dat je net zo lang buiten de deur blijft staan tot je kunt horen dat ik slaap.

School

Mama,

je hebt natuurlijk al gemerkt dat mijn punten er op achteruit gaan op school, mijn taken worden te laat afgegeven en ik kom wel vaker naar huis met nota’s in mijn agenda die zeggen dat ik niet in orde ben. Ik weet het, dat is iets wat je niet van mij verwacht, en ik weet dat school belangrijk is. Maar mama, ik kan het niet meer. De stress die ik heb door school, en het werk dat we na school moeten doen, maakt mij traag maar heel pijnlijk kapot. De leerkrachten begrijpen het maar niet, “Jullie zijn nog jong, jullie kunnen helemaal geen stress, problemen, of ernstige mentale ziektes hebben.” Maar mama, ze zouden eens moeten weten hoe slecht het met me gaat, jij zou eens moeten weten hoe slecht het met mij gaat. Mijn hoofd doet zoveel pijn, mijn lichaam is op, ik kan het gewoon niet meer, de trappen opstappen is al zoveel moeite voor me. Mama, ik kan het niet meer, en ik weet dat je denkt dat ik sterk ben, maar je bent fout. Je zou eens moeten weten wat ik doe als ik thuiskom, ik slenter naar boven, weeral die trappen op, na zestien trappen ben ik boven, of misschien zijn het er zesentwintig? Ik weet het niet meer, maar ik weet wel dat ik weer kapot en energieloos ben. Zeven stappen verder en ik ben in mijn kamer, twee stappen later en ik sta aan mijn bed, één tel later barst de hel los, en ik ook, ik barst ook.

Mama, het spijt me, maar ik weet niet of ik het nog lang kan volhouden, maar ik hou wel van je, en dat zal ik altijd doen.  

Mag ik even kort
jouw lippen op de mijne voelen.
Het einde van een kus.
Jouw lippen
die de mijne verlaten.

Jouw handen
die de mijne zachtjes verlaten.
Niet kort en abrupt,
maar traag en liefdevol.

Jouw neus die tegen
me aan blijft zweven
nadat jouw lippen
de mijne al hebben
gelaten voor wat ze zijn.

De elektriciteit die nog
tussen ons in zweeft
maar geen verbinding
meer maakt tussen de polen.

Woorden
nog niet uitgesproken.
Een verlangen
naar meer.
Zachter. Warmer.
Doen we het
nog één keer?

Perfectionisme

Wij liggen in de zich door zijn eigen warmte heen
slepende zomer pril te wezen op het heetst van de dag
en leven op het scherpst van de snede; nergens is het gras
zo groen als het hier zijn moet, aan deze oever
in een stad die vooral bestaat uit vroeger.

Als straks de schemer valt, hopen we weer meer
aan de vooravond te staan van wat in de volksmond
voor relatie door moet gaan, maar wij liever niet noemen
bij naam. Nergens klotst het water als het hier doet
nadat een schip traag voorbij gevaren is.

Een ijsje? vraagt ze. En na veel ge-ja-maar en waar-dan
stem ik in. Wat is een slecht begin? denk ik. Vast de helft
verpest. Wij lijden aan gewens. Zijn nooitgenoeglijk ziek.
Het ijsje op. Enig verkleinwoord. Vergroot het tot ijs,
maak die lange ij nu kort. Tot het allemaal ondoenlijk wordt.