theedoek

Even niets

Een uur eerder dan afgesproken gaat de bel. Ik droog mijn natte handen aan de theedoek en loop naar de voordeur. Buiten slaat de regen nog altijd tegen de ramen. Als ik de deur open doe schiet ze langs me, een natte schim in donkere kleding. Verbaasd loop ik haar achterna, de theedoek nog altijd in mijn handen. In de kamer staat ze te druppen op het kleed, haar jas ligt naast haar voeten. Ze heeft haar armen om zich heen geslagen. “Ben je komen lopen vanaf het station?” vraag ik als ze niets zegt. Ze knikt. Donkere kringen liggen onder haar ogen. “Had gebeld,” zeg ik, terwijl ik naar de badkamer loop voor een paar handdoeken en mijn badjas. Als ik terugkom heeft ze haar doorweekte kleding uitgetrokken. Ik droog haar grondig af maar niet te ruw. Ze duwt haar neus even tegen mijn borst en zucht. “Mijn telefoon was leeg,” klinkt het zachtjes. “Niet goed opgeladen. En ik was zo moe en wilde gewoon weg en ineens was ik hier. Maar toen wilde ik niet op het station wachten.” We blijven even zo staan. Dan laat ik de handdoek van haar rug vallen en help ik haar in mijn badjas. Hij is haar veel te groot, maar ze ziet er in ieder geval niet meer zo koud uit.

Ik kook eerder dan normaal. De fles wijn blijft dicht, ze heeft er geen zin in en alleen drinken doe ik niet meer. Terwijl ik de aardappelen schud en op de kip in de oven let zit ze op mijn aanrecht. Ze heeft haar ogen vaker dicht dan open. Als ik mijn hand even op haar knie leg schrikt ze wakker. Een klein lachje speelt om haar mond als ze me aankijkt. Haar hand ligt op mijn arm, reist naar boven over mijn schouder en stopt in mijn nek. Ik ben blij dat we eindelijk zoenen. Niet omdat ik niet zonder kan, maar meer omdat we nog in geen enkele situatie niet hebben kunnen zoenen.

Tijdens het eten streelt ze mijn benen met haar blote voeten. Oogcontact is schaars, ze voelt zich nog altijd opgelaten als ik kijk hoe ze het bestek vasthoudt, hoe ze soms schuift met de dingen op haar bord. Als ik naar haar kijk voel ik me een vijver waar ze steentjes in aan het gooien is. Alles golft en beweegt en zolang ze in de buurt is word ik niet rustig, maar het is niet erg om een storm in mijn hoofd te hebben als zij maar in mijn buurt blijft. Het kan me niet schelen wat ze is, zolang ze het maar blijft.

Ik ruim op, zij opent haar laptop voor wat werk. Als ik uit de keuken kom met twee koppen thee staart ze uit het raam. Er is geen letter op papier gekomen. Ik open een lade van een kast en haal er een pakje sigaretten uit. Ze haalt haar wenkbrauwen op als ik er twee sigaretten uit haal en het raam open. “Je haat het als ik rook,” mompelt ze als ze naast me komt staan. Ik knik en steek haar sigaret aan. “Ik haat het nog meer als je je zo voelt. Ga zo maar douchen en in bed liggen. Je hoeft niet op te blijven.” Ze blaast de rook naar boven en kijkt me dankbaar aan. Kort kust ze me op mijn wang. “Je prikt,” mompelt ze terwijl ze naar de badkamer loopt. Ik blijf bij het open raam staan wachten tot de frisse lentelucht de donkere gedachten uit mijn hoofd neemt.

Twee uur later ga ik naar bed. Wellicht heb ik toch van de wijn gedronken. Ze ligt aan de kant waar ze gewend is te liggen, haar rug naar me toe. Ze heeft weer liggen draaien, het dekbed ligt maar half over haar heen en als ik mijn vingers over de blote huid laat gaan voel ik hoe ze is afgekoeld. Voorzichtig herschik ik het dekbed. Ze maakt wat geluid, draait iets naar me toe en dan weer terug. Ik stap voorzichtig in bed en val op het ritme van haar ademhaling in slaap.

Ik word wakker van haar lippen tegen mijn nek. Ik slaap altijd lichter als ze naast me ligt, maar dat weet ze niet. Het is één van de vele dingen die ik liever voor haar verzwijg. “Ik hoop dat je nooit verdwijnt,” mompelt ze zachtjes. Ik blijf liggen en hou mijn ademhaling rustig, terwijl ze voorzichtig probeert haar armen om me heen te slaan. Als ze zachtjes aan me schudt draai ik me om. Meer dan contouren van haar gezicht zie ik niet. “Niets zeggen,” zeg ik terwijl ik haar haren streel. “Gewoon, even niets zeggen.”

Tussendagen

1.
Ik zit in een ijssalon wanneer ik hoor dat hij dood is.
‘Het is voorbij,’ zegt het meisje dat ik twee weken geleden heb ontmoet. Ik druk mijn telefoon dichter tegen mijn oor. De komende dagen slaapt ze niet bij mij, omdat ze naar haar ouders gaat. Ik voel me afgewezen, ook al weet ik dat het onredelijk is.
Op de achtergrond hoor ik haar vader roepen dat ze door moet lopen. Ik bestel nog twee bolletjes ijs, een met citroen en de ander met de smaak van oma’s appeltaart. 

Keep reading