stukken

A Staircase, right side of the depiction. One of a seven-part room decoration by Dirck van DelenOnderdeel van een zevendelige kamerbeschildering in vijf stukken met afbeeldingen van een interieur, twee galerijen en twee buitentrappen, bevolkt met talrijke personen. Het betreft hier de rechterhelft van de voorstelling met drie figuren op een buitentrap. (Zie voor de andere helft SK-A-3941)

Nee, nee, nee. Ik denk niet dat je het begrijpt. Ik wil niet meer gelukkig worden. Ik wil dood. Ik wil dat de zelfhaat me vernietigd. Ik wil dat het van binnen naar buiten brand, zodat er niets anders overblijft dan mijn assen en aangebrande longen. Ik wil dat het verdriet mijn lichaam overneemt. Ik wil dat het mijn laatste bewegingen bestuurd. Die beweging die me van het randje kan duwen. Ik wil een storm van jaloezie in mij zo hevig dat de enige manier om hem te stoppen, ik mezelf in stukken zal moeten scheuren. Ik wil dat de afgunst me groen kleurt, en ik wil dat de pillen me blauw en rood tegelijkertijd kleuren. Ik wil dat de wodka me wegsleurt zoals de golven dat doen met een levenloos lichaam. Ik wil niet dat mijn lijk op het water blijft drijven, laat me alsjeblieft verdrinken, laat me verdwijnen, ergens waar niemand me kan vinden.
Ik wil niet meer, begrijp dat dan toch.

(een zomer)

hoe wij lachten, alsof het leven nooit schoner geweest was 
maar vooral alsof het niet slechter geweest was, alsof wij nog niets meegemaakt hadden en er niet op dat moment in onze harten dingen aan stukken vielen

hoe wij dansten, alsof wij voor het eerst echt vrij waren
maar vooral alsof het de laatste keer was, alsof onze voeten ons hierna nooit meer dragen zouden, alsof wij zelf misschien wel in stukken uiteen zouden vallen

hoe wij liepen, alsof wij niet konden wachten om de toekomst te zien
maar vooral alsof we zo het leven konden ontlopen, in de hoop dat het in de toekomst dan beter was, alsof wij onszelf trachten te ontlopen, en elkaar daarbij vergaten

hoe wij droomden, alsof niets ons tegenhouden zou
maar vooral alsof we nog konden dromen, alsof wij niet al lang de dromen naast ons neer hadden gelegd, alsof wij niet al lang beseften dat wij slechts droomden om teleurgesteld te worden

kunnen wij nog één keer zo een zomer beleven? zo één waarin we lachen en dansen en lopen en dromen, alsof het voor één keer niet allemaal verloren zal gaan wanneer de bladeren weer vallen

Het valt allemaal wel mee,
elke
keer
opnieuw.
Het valt allemaal wel mee,
maar nee,
het valt niet mee.

Ik word helemaal gek van mezelf. Het eeuwige wachten wanneer alles terug op zijn pootjes terecht komt. Ik denk dat mijn pootjes in 30 stukken gebroken zijn want ik kom er helemaal niet meer op terecht. Alles duurt en duurt en duurt maar ik weet het écht niet. Moet ik wachten tot het beter wordt? Want eerlijk, het wordt niet beter en ik weet niet of het wel nog beter wordt. De chaos en verwarring is groter dan ooit te voren en ik ben begrijp mezelf niet meer. Het irriteert me, frustreert me, maakt me veRDOMME KWAad. Iemand moet mij uit deze klote put helpen.

‘Er is niet genoeg lijm op de wereld om van mijn gebroken stukken samen weer één geheel te kunnen maken. Zelfs de dapperste meisjes die het willen proberen, snijden zich uiteindelijk aan mijn scherven; alsof ik niet gemaakt mág worden. Misschien hoor ik ook wel gewoon kapot te zijn.’

- ik zou willen dat ik anders was.

Aan een klein meisje

Dit is het land, waar grote mensen wonen.

Je hoeft er nog niet in: het is er boos.

Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,

en altijd is er weer wat anders loos.

 

En in dit land zijn avonturen

hetzelfde, van een man en van een vrouw.

En achter elke muur zijn an'dre muren

en nooit een eenhoorn of een bietebauw.

 

En alle dingen hebben hier twee kanten

en alle teddyberen zijn hier dood.

En boze stukken staan in boze kranten

en dat doen boze mannen voor hun brood.

 

Een bos is hier alleen maar een boel bomen

en de soldaten zijn niet meer van tin.

Dit is het land waar grote mensen wonen…

Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.

 

Annie M.G. Schmidt (1911-1995)

Mijn glimlach brak, duizenden stukken vlogen over de vloer. Je probeerde de stukjes op te vegen, aan elkaar te lijmen. Je probeerde me te helen, liefdevolle woorden spraken mij toe, je blik op de mijne gericht. Ik kon het niet meer zien, mijn ogen keken recht door je heen, ik verdwaalde in de wereld om mij heen en de weg terug was onherkenbaar.

ik hoef niet van u noch hoeft gij van mij te zijn maar ik vind het moeilijk om u te missen omdat ik ni weet wie da ‘k ben zonder u, omdat ik niemand heb om voor te smelten als da ni voor u kan en omdat wij allebei zoveel beter weten en elkaars en ons eigen hart toch keer op keer met teveel smaak in stukken blijven breken

Om eerlijk te zijn, vind ik dit best een grote puinhoop. Over heel de vloer liggen omgevallen torens van zorgen. Uit de stopcontacten komen om de drie minuten lichtflitsen door de constante interactie met druppels van tranen. De schilderijen die ik als kind maakte, zijn al honderd keer in stukken gescheurd en dan maar weer aaneengehangen. Er ligt een stapel dikke kleren in de linkerhoek van de kamer van toen ik maandagavond mijn lichaam niet meer wou bekijken. Nagels en vijzen hangen half los uit de muren. Ik denk al jaren niet meer dat er nog kleine kinderen zijn die beschermd moeten worden tegen scherpe voorwerpen. Op het plafond ligt een laagje stof, omdat de zwaartekracht hier soms graag andersom werkt. En een plafond, dat valt niet schoon te maken. De kleuren van het tapijt dat ik kocht toen ik veertien was, lijken ondertussen allemaal een tint van grijs. Oude dagboekfragmenten hangen aan de muren voor de periodes dat ik wil analyseren wat er nu eigenlijk mis met mij is. Het is een rommel, en ik zou zeggen dat het tenminste niet mijn rommel is. Maar dat zou weleens de grootste leugen kunnen zijn die ik deze week al verteld heb - of was dat toen ik zei dat het wel goed ging?

A Gallery. One of a seven-part room decoration by Dirck van Delen, Museum of the Netherlands

Onderdeel van een zevendelige kamerbeschildering in vijf stukken met afbeeldingen van een interieur, twee galerijen en twee buitentrappen, bevolkt met talrijke personen. Dit stuk toont een galerij van een paleis met ornamentale architectuur en zuilen. Met (van links naar rechts) portretten van prins Frederik Hendrik, Amalia van Solms, de Friese stadhouder Ernst Casimir van Nassau-Dietz en zijn zoon Hendrik Casimir I. Enkele heren hebben honden bij zich, links vertrekt een bode.
Ziekenhuis

Ik zat in een hele andere gang te wachten want ik was zoals gewoonlijk weer veel te vroeg voor mijn afspraak. Muziek knalde door mijn oordopjes en ik weet nog steeds niet helemaal of dat wel de goede muziek was om te luisteren op deze plek. 

Er liepen mensen langs mij heen en steeds voelde ik een windvlaag langst mijn gezicht en benen toen ze door de schuifdeur liepen. Ik keek ze niet aan. Ze hoefden mijn betraande ogen niet te zien, die waren van mij en van mij alleen. 

Ik had gisteren tegen een goede vriend gezegd wat ik tegen mijn psycholoog wilde zeggen, maar daar was ik ineens niet meer zo zeker van. Ik was heel even van helemaal niets zeker. Alsof de wereld weer voor heel even onder mijn voeten vandaan zakte en gek genoeg voelde dat vertrouwd. Ik was dat immers gewend van de afgelopen jaren. 

Langzaam stond ik op, gooide mijn tas over mijn schouder en sjokte door de lange ziekenhuisgangen die, volgens anderen, vreemd zouden moeten ruiken. Er hing kunst aan de muren en bij de mooiste stukken bleef ik even staan om te kijken en om wat tijd te rekken. Ik wilde niet. Niet meer. 

We hadden het over hoe het leven ging en hoe ik was. Ik vertelde, zij luisterde en andersom. Ze vond mij dapper en sterk en ik wist dat ik daar om zou gaan huilen zodra ik weer alleen was. Het deed me denken aan de eerste keer dat iemand dat tegen mij zei. Fijn om te horen wel. Ik vond mezelf ook wel dapper en sterk. 

Aan het einde van het gesprek moest er een beslissing gemaakt worden. Zou dit het laatste gesprek zijn of niet? Het werd het eerste. Het ging buitengewoon goed met mij en we zagen er allebei het nut niet meer van in om de gesprekken voort te zetten. Ik zou me wel redden, daar waren we het over eens.

Na het gesprek bedankte ik haar voor de goede zorg van het afgelopen jaar en zij bedankte mij voor het zijn van een inspiratie voor vele anderen. Wederom iets waar ik om zou huilen als ik alleen zou zijn. Ik liep de trap af, opnieuw door de lange ziekenhuisgangen en ik voelde de tranen branden achter mijn ogen. Iets met slecht in afscheid nemen en het gevoel van trots zijn op mezelf tegelijkertijd. 

Ik vervolgde mijn weg naar school en pas toen ik in de omgeving was waar ik me al een aantal weken dolgelukkig voelde, hield ik het niet meer vol. Tranen stroomden over mijn wangen en ik zei nogmaals tegen mezelf dat ik dapper en sterk was. De les begon en tijdens de les had ik nog even tijd en ruimte nodig om weer wat te ontdooien tot een vrolijk kind. Mijn klasgenoten merkten het, maar ze zeiden niets. Ik ben ze dankbaar want ik had het toch niet kunnen uitleggen. Puur geluk is iets wat je moet ervaren voordat je weet wat het is. 

Dit is iets waar ik voor altijd trots op kan en mag zijn. Ik heb dit allemaal zelf gedaan. Ik ben hier zelf doorheen gekomen. De rest van mijn leven kan ik ook in mijn eentje aan. 

Prometheus 2.0:

De man in de spiegel lacht,
ik kijk weg, eens waren we
beste vrienden - vroeger
zat ik beter in mijn vel.

Mijn huid is een veel te wijde jas,
als ‘t regent word ik vanbinnen nat
en als ‘t waait, dan snijdt de wind
stukken vlees weg,
tot er niets meer
overblijft.

En ‘s nachts,
dan groei ik 
weer aaneen. 

Een kleine, koppige huivering

In het begin nam ik foto’s van anderen. Van mensen die hand in hand liepen, afscheid namen op stations, van mensen die elkaar lachend in de armen vielen, van mensen die elkaar lieten proeven van hun eten. Ik maakte foto’s van andermans kleine intimiteiten in de hoop dat iemand het zou verstaan als de vraag die het was. Ik nam foto’s van mijzelf, van naakte lichaamsdelen, van vermoeidheid, van mijn lichaam in een spectaculair gebrek aan gezelschap. Ik zocht bewijs van mijn eigen bestaan en vond het in de manier waarop ik dwars door de camera heen leek te kijken. Ik wilde gezien worden, aangeraakt, erkend als iets met betekenis. Niet door de massa, niet door het handjevol mensen dat hondstrouw bleef wachten tot ik me weer op zou richten maar door één persoon die haar blik afwende en haar deuren sloot.

Na weken voelde ik delen van mezelf langzaam ontwaken, er werden gaten gedicht, losse stukken vastgezet. Ik rolde mezelf terug in dat wat ik kende. Regelmaat, routine, afzondering. Nieuwe namen vonden hun weg tussen oude bekenden en trouwe vrienden. Er waren suggesties, hints, uitdagingen en op een zaterdagmiddag een hand die zich plots om de mijne sloot. Ik voelde een kleine, koppige huivering. Er was iets dat zich afwendde en weer ontkoppelde, nog voordat ik de vingers weg voelde glippen.

Ik sprak veel af maar liet niets doorgaan. Ik kreeg hier en daar flarden van het andere leven mee. Ik voelde me bedrogen omdat er door werd bewogen waar ik stil leek te staan. Ik hoorde prestaties aan maar voelde geen blijdschap alleen maar bitterheid. Ik wilde uit rancune vragen of het het allemaal waard was geweest, maar bracht een minzame felicitatie met een randje verdriet. Ik wilde niet dat mensen zich om me bekommerden. Ik wilde geen emmers liefde over me heen gegoten krijgen, ik wilde niet nogmaals mijn verhaal doen. Ik had geweten waar ik aan begon, ik had geen recht om er verder over te spreken. Ik verlangde naar een donker dat me kon verteren en dan vlak voordat ik ging, nog één keer, een kleine, koppige huivering.