sportief

Dutch Sports Vocabulary.

Nouns

  • The sport - De sport
  • The exercise - De oefening, de training
  • The tournament - Het tornooi
  • The game - Het spel
  • The match - De match, de wedstrijd
  • The contest - De wedstrijd
  • The medal - De medaille
  • The bronze - Het brons
  • The silver - Het zilver
  • The gold - Het goud
  • The third place - De derde plaats
  • The second place - De tweede plaats
  • The first place - De eerste plaats
  • The first round - De eerste ronde
  • The second round - De tweede ronde
  • The third round - De derde ronde
  • The quarter-finals - De kwartfinale
  • The semi-finals - De halve finale
  • The finals - De finale
  • The professional sporter - De professionele sporter
  •   “             “          player -    “             “            speler
  • The coach - De coach, de trainer
  • The team - Het team
  • The winner - De winnaar
  • The loser - De verliezer

Sports

  • Football (soccer) - Voetbal
    • The football - De voetbal
  • Basketball - Basketbal
    • The basketball - De basketbal
  • Tennis - Tennis
    • The tennisball - De tennisbal
  • Baseball - Honkbal
    • The baseball - De honkbal
  • Batminton - Batminton
    • Batminton plume - Batmintonpluim
  • Volleyball - Volleybal
    • The volleyball - De volleybal
    • The net - Het net
  • Bowling - Bowling
    • The bowling ball - De bowlingbal
    • The bowling pins - De (bowlng)kegels
  • Golf - Golf
    • The golfball - De golfbal
  • Horsebackriding - Paardrijden
    • The horse - Het paard
    • The saddle - Het zadel
    • The reins - De teugels
  • Archery - Boogschieten
    • The bow - De boog
    • The arrow - De pijl
    • The target - Het doel
  • Athletics - Atletiek
  • Gymnastics - Gymnastiek
    • The flexibility - De flexibiliteit
  • Dancing - Dansen
    • The dancemoves - De danspassen
  • Boxing - Boxen
    • Boxing gloves - Boxhandschoenen
  • Cyclng - Fietsen
    • The bike - De fiets
  • Swimming - Zwemmen
  • Diving - Duiken
    • The pool - Het zwembad
  • Fencing - Schermen
    • The sword - Het zwaard
  • Handball - Handbal
    • The handball - De handbal
  • Hockey - Hockey
    • The puck - De puck
  • Snowboarding - Snowboarden
    • The  snowboard - Het snowboard
  • Skiing - Skiën
    • The skates - De skilatten
    • The ski slope - De skipiste
    • The snow - De sneeuw
  • Ice skating - Schaatsen
    • The ice skates - De schaatsen
  • Running - (Hard)lopen

Verbs

  • To sport - Sporten
  • To exercise - Oefenen
  • To practise - Oefenen
  • To train - Trainen
  • To participate - Deelnemen, meedoen
  • To win - Winnen
  • To lose - Verliezen
  • To play (insert sport) - (sport) spelen
  • To be sportive - Sportief zijn
  • To be fit - Fit zijn
  • To be in shape - In vorm zijn
  • To proceed (to the next round) - Doorgaan (naar de volgende ronde)

Sentences

  • She practised all year for this competition - Ze heeft het hele jaar geoefend voor deze competitie.
  • George participated in the dance tournament. He won second place! - George nam deel* aan het dans tornooi. Hij won de tweede plaats!
  • Benjamin loves to play basketball, but his team lost the match yesterday. - Benjamin houd van basketbal, maar zijn team verloor de match gisteren.

*: ‘Nam deel’ is the past tense of the separable verb ‘deelnemen’. This is a post on how to use these verbs in a sentence.

Keep on learning!
x
Tamara