schoorsteen

2

Het is vrijdagavond; het startschot van verplichte ontspanning. Alle schoolverplichtingen loslaten en dingen ondernemen waarvan je gezonde spanning krijgt en enthousiast van wordt. Exploring. Voordat je vertrekt met een grijns tegen elkaar zegt: “Eigenlijk vind ik het best spannend!” Gek is dat; dat het zo goed kan voelen om dingen te doen die eigenlijk niet mogen. Soort van verboden zijn en daardoor juist heel spannend. Een soort kinderlijke kattekwaad die geen vlieg kwaad doet. Jongensgedrag. Het lijkt verdwenen, maar ik lijk het weer gevonden te hebben. Wat is er gebeurd?!

Sint, blijf aub bij ons!

Wat een discussie is hier opengebarsten over het verder bestaan van Zwarte Piet of niet. 

Verschrikkelijk te moeten beseffen dat klaarblijkelijk de Verenigde Naties niets beters te doen hebben dan met zen allen hierover het hoofd te buigen,met wat voor resultaat.

Nooit heb ik Zwarte Piet enigsinds gerelateerd aan slavernij, nooit. Zwarte Piet ziet Zwart doordat hij door de schoorstenen moet. En laat ons eerlijk zijn, Zwarte PIet is veel meer fun dan de Sint. Ik wilde dan ook altijd Zwarte Piet zijn… Die konden van die kunstjes waarvan ik toen dacht dat het eigenschappen waren die me ver in het leven zouden brengen (die kinderlijke gedachtegang toch :)). Uren en uren heb ik geoefend op het op mijn handen lopen, flikflak, salto’s en dergelijke meer…

Dat men het nu als zijnde zo gaat benaderen dat het een uitloopsel is van de zwarte slavernij, dat gaat er ver over. Geen enkele zwarte medemens heeft hiervoor klacht ingediend, geen enkele. Nee het werd beslist door de knappe koppen van de VN. Mensen die toch allen hebben gestudeerd, mensen die toch een beetje kunnen nadenken… Dat zou je verwachten, niet?

Die mensen maken van een punt, waar niemand over kraaide, plots een heuse rasicme zaak - en waarom? Waarom in godsnaam? 

Het is door hun gejoel dat intolerantie terug getolereerd zal worden… Het is door hun gejoel dat rasicme in de hand gewerkt wordt. Onbewust gaan mensen immers deze beslissing ‘wreken’ tegen, jawel hoor de Zwarte Pieten.

Het volksverhaal: Doortje & Mieke

Een korte samenvatting van het volksverhaal wat ik wil gaan verbeelden. Daaronder is het gehele verhaal te vinden:
Een houthakker woont samen met zijn vrouw en twee dochters, Doortje en Mieke, aan de rand van het Mastbos. De man houdt van beide dochters evenveel, de vrouw houdt heel veel van Mieke, en verafschuwd Doortje. Zo erg zelfs dat ze, wanneer de man weg van huis is, Doortje vermoord door haar hoofd af te hakken. Mieke is een stille getuigen van dit voorval. Om van het lichaam af te komen kookt ze er soep van. Mieke begraaft de botten van haar zusje onder de notenboom. Wanneer de man terug keert schotelt de vrouw hem de soep voor. De man eet met smaak de soep op maar vraagt zich wel af waar Doortje gebleven is. Dan klinkt er gezang uit de schoorsteen. Het is Doortje die is teruggekeerd in de vorm van een geest. Vader en het zusje Mieke krijgen alle twee geschenken, de vrouw wordt verpletterd door een gigantisch hakblok. 

Langgeleden, in het ruwe en woeste Mastbos in de buurt van hetprovinciestadje Breda, leefden verschillende families die de kost verdienden met hetgeen waar het dennenbos hen in voorzag.
Er woonden onder andere houthakkers en mulders, jagers en boeren. Een van die houthakkers had in de rand van het donkere bos aan de Goordreef een hut gebouwd.

De man, Tinus, leefde daar met zijn vrouw en hun twee kinderen. Alhoewel Tinus niet rijk was en hard moest werken om zijn gezin te onderhouden, voelde hij zich wel bemiddeld; zijn rijkdom waren zijn twee dochters. Het ene meisje heette Doortje en het andere Mieke. De houthakker hield van allebei zijn dochters even veel. Maar de moeder hield het meeste van Mieke, aan Doortje had ze een uitgesproken hekel.

Het gezin leefde schijnbaar gelukkig met elkaar, doch, wanneer de vader voor zijn werk een paar dagen van huis was, werd het tegendeel zichtbaar. Doortje kreeg het in zo’n periode zwaar te verduren, ze moest de meest erbarmelijke omstandigheden ondergaan, van pesterijen tot lijfstraffen. Maar het arme meisje durfde dat niet aan haar vader te vertellen, bang voor straffere represailles als vader weer eens weg was. Ook aan Mieke had ze in dat opzicht niets. Haar zusje op haar beurt had haar moeder weer te lief, hoewel ze ook veel van Doortje hield. Maar dit woog niet op tegen de gevoelens voor haar moeder.

December was net begonnen en het was koud, maar droog. De houthakker had veel werk, en om zijn werk zover mogelijk af te hebben om zodoende op tijd terug te kunnen zijn voor het naderende Sinterklaasfeest, zou hij een paar dagen in de bossen overnachten. Toen vader Tinus de volgende ochtend vertrok, zwaaiden Doortje en Mieke hun vader uit tot hij helemaal uit het zicht was verdwenen. Daarna gingen ze, zoals ze vaak deden, achter het huis spelen.

Tot op het moment dat moeder de meisjes naar binnen riep en aan ieder een emmertje gaf om water te putten. “Diegene die de emmer het volste heeft, krijgt van mij een lekkere boterham,” zei ze. En ze reikte de twee de emmertjes aan; Mieke kreeg een goede emmer, maar Doortje kreeg een emmer met een groot gat erin. Ze begaven zich naar de waterput. Na een poosje kwamen de meisjes weer thuis en Mieke kreeg, omdat haar emmertje vanzelfsprekend het volste was, een lekkere boterham met suiker. Doortje kreeg een homp droog brood, want haar emmertje was nog niet eens half vol. “Maar dat is toch mijn schuld niet,” dacht ze bedremmeld.

Later op de middag riep de moeder de twee meisjes weer naar binnen. “Gaan jullie beiden naar het bos om hout te sprokkelen. Diegene die het meeste hout thuis brengt, krijgt een lekkere boterham.” zei moeder.Ze gaf de twee meisjes ieder een touw, waar ze het hout mee bij elkaar moesten binden. Mieke kreeg een lang, dik en stevig touw en Doortje een kort, dun, rafelig stukje.
De beide zusjes liepen naar het bos. En na een uurtje kwamen de meisjes thuis uit het bos en weer had Mieke volgens moeder de lekkere boterham verdiend en Doortje werd voor de tweede maal met wat broodresten afgescheept.
“Maar dat is toch niet mijn schuld,” dacht doortje opnieuw.

Het werd nacht en de drie gingen naar bed, maar van slapen kwam evenwel niets. Onder de wollen paardendekens had ieder zo haar eigen probleem. Moeder dacht na over hoe ze het Doortje de volgende dag extra lastig zou kunnen maken. Mieke was met een te volle buik naar bed gegaan en had last van oprispingen. En Doortje? Haar maag was leeg en rammelde van de honger.
De volgende dag riep moeder doortje bij zich…

“Kom eens hier Doortje, dan zal ik jouw haren kammen.” 

Doortje knikte en kwam dichterbij; ze had niets in de gaten. Ineens pakte het lelijke wijf Doortje vliegensvlug in de nek, en legde haar met het gezicht op een houten blok en kapte met een slichtmes in een slag het hoofd van Doortje af.
Het bloed spoot alle kanten op en Doortje had niet eens de kans gehad om een kreet te slaken. Daar lag haar hoofd in de mand onder het hakblok: Doortje was niet meer. 

Tegen de middag zou vader thuiskomen. Moeder schrobde in allerijl het huis omdat vader niets mocht merken. De muren en de vloer werden grondig gereinigd, en niets wees meer op het verschrikkelijke drama dat zich in het houthakkershuisje had afgespeeld. Alleen…wat deed ze nu met het lichaam van Doortje? Nu, daar had ze de vorige nacht lang over gepeinsd en er het volgende op gevonden: ze zou er soep van koken.

Vroeg in de middag liep Mieke haar vader een eindje tegemoet zoals ze dat altijd met Doortje deed. Na een uurtje zag ze haar vader en hij vroeg onmiddellijk waar Doortje was, maar Mieke zei niets. Vele malen vroeg vader onderweg aan Mieke waar haar zusje toch kon zijn, maar Mieke gaf nog steeds geen antwoord. Tegen het einde van de lange wandeling werd het Mieke teveel en kon ze niet meer doen alsof.
“Vader, ik durf het niet te zeggen,” zei ze.
“Toe meisje, vertel het me maar.” zei vader.
“Ik durf het echt niet” zei Mieke en barstte in snikken uit.
Toen vader eindelijk met Mieke thuiskwam, stond moeder ze in de deuropening van het huisje op te wachten. Ze nodigde beiden uit om aan tafel te gaan zitten en te gaan eten. Want vader zou wel reuze honger hebben. Moeder en Mieke hadden geen trek in de soep, maar vader, ja, die wist van niets, die at met smaak. Toen vader Tinus klaar was met de maaltijd, vroeg hij opnieuw waar Doortje toch was.
“Heeft het soms met het Sinterklaasfeest te maken?” vroeg hij
Moeder en ook Mieke zeiden niets en bleven zwijgen. Het was doodstil in huis, vader keek de twee doordringend aan, hij wachtte op antwoord. Hij begon het steeds minder te vertrouwen.
“Sinterklaas,” dacht hij, “nee dat kan niet, dan zou Mieke niet in snikken zijn uitgebarsten.” Het bleef akelig stil in huis en vader vernam geen antwoord van de twee. Tot hij boven in de schoorsteen een fijn stemmetje hoorde, heel helder en zuiver. En het stemmetje zong:

“Rikketikketik,
Een schoon engeltje ben ik. Moeder heeft mij gesneden, vader heeft mij gegeten. En Doortje heeft de schenkskes
onder den notenboom gesmeten.
Rikketikketik, een schoon engeltje ben ik.”

En het liedje was nog niet uit of er vielen uit de schoorsteen allerlei geschenken naar beneden. Een fraai gouden horloge voor vader en voor Mieke een mooie jurk met gouden sterretjes en voor moeder een enorm, houten hakblok dat haar in één klap verpletterde.

Van het huisje is niets teruggevonden, alleen het enorme houten blok is niet door de tijd verslonden. En vermoedelijk ligt het verpletterde lichaam van moeder er nog steeds onder.
Ieder jaar weer, rond de periode van het sinterklaasfeest, als de wind gunstig staat, hoort men op de plaats waar het houthakkershuisje heeft gestaan het fijne stemmetje zingen.
Heel helder en zuiver van: Rikketikketik…

20:25 P1 Gebouwbrand (schoorsteen) Bouwbedrijf Braam Brammershoopstraat Eeserveen 038833 038835 038652

"Opa vouwde een kaart uit op tafel, trok met zijn vinger de graafgrens en wees toen de plaats aan die hij had uitgekozen: Hoogeveen. In de kom konden wij als gravers niet wonen, maar de peel daarachter gaf vrije vestiging onder het aloude gebruik van het vuur en rook houden. Wat dat inhield las hij voor uit een kleine almanak. Als in de nacht ergens op het veld een hut wordt gebouwd, en er is voor zonsopgang vuur en rook in de schoorsteen, dan is er rechtens geen mogelijkheid meer de bouwer nog van die plaats te verdrijven.


Thomas Rosenboom, Publieke werken, Querido, Amsterdam, 1999