regendruppel

Ik wil

Ik wil zien, denk ik, omdat ik dat kan, en leven, voluit en gulzig, omdat het toch moet, en ik het maar beter goed kan doen. Ik wil voelen, wind langs mijn oren, zand onder mijn voeten, water, omdat dat fijn is, denk ik. Ik wil horen, vogels die fluiten, zeewater wat stroomt, regendruppels op de grond, omdat ik dan geniet, geloof ik. Ik wil ruiken, mensen naast mij, koffiegeur, omdat dat hoort, vind ik. Ik wil stappen, vooruit, zoeken naar het begin, beginnen, en volhouden. Ik wil durven, leven.

Als je opgroeit met de woorden: “het is beter om gezien te worden dan gehoord”, leer je om je stem op te geven.
Je keel wordt doorgesneden door
een geschiedenis van stilte, 
kind, weet je dan niet dat niemand iets geeft
om wat je te zeggen hebt?

Toen ik 7 jaar oud was, was het de eerste keer dat mijn vader me zei dat ik m'n mond moest houden, zijn gedonder was veel sterker dan mijn regendruppels dus ik deed wat hij me opdroeg.
Ik leerde hoe ik mijn mond moest houden, totdat bloed de binnenkant van mijn tanden bedekte.
Ik was een kind dat geen enkele traan liet, omdat geen enkel persoon wou weten hoeveel pijn het deed om niet gehoord te worden.


Ik was 10 jaar toen mijn beste vriendin, mijn ideeën voor de eerste keer “stom” noemde,
en dat deed mijn gedachten op zichzelf instorten.
Ik had niemand nodig om me te leren hoe ik moest zwijgen want mijn woorden waren al een straf op zich.
De enkele keren dat mensen reageerden op wat ik te zeggen had, was het om te lachen om wat ik zei.
Wisten ze maar dat hun gegiechel als messen in mijn huid sneden.


Ik was 13 toen mijn klasgenoten me voor de eerste keer “het meisje dat nooit spreekt” noemde, maar op dat punt in mijn leven was ik niet eens zeker of ik het wel kon, mijn stem was een vervaagde vreemdeling in mijn lichaam. In mijn gedachten, verloor ik de mogelijkheid om mensen te vertellen dat ik echt was, dat ik nog steeds bestond, dat ik iemand nodig had om naar me te luisteren.


Ik ben nu 16 en heb mijn weg naar woorden als stotterend en struikelend gemaakt, ik heb de angst en bezorgdheid die achter in mijn keel verstopt zat, vervangen door geluid en het voelt geweldig om eindelijk te kunnen spreken-
Maar nog steeds zijn er dagen dat mensen me aankijken alsof ik geen vrije meningsuiting verdien te hebben, er zijn nog dagen dat ze me neerschieten omdat ze geen nood hebben aan mijn onenigheid aan te horen en er zijn nog dagen dat ik bang ben om mijn woorden van overtuiging uit mijn mond te laten rollen, omdat ik zogezegd nog geen weet heb van wat er in de wereld omgaat.
Net dat zijn de dagen dat ik het liefst terug in de stilte zou willen vallen.

—  Dagen Van Stilte

Halverwege de tuin met mijn rug naar het huis, hoor ik de voordeur dichtslaan en daar staat hij. Verscholen onder de afkapping. Zijn gezichtsuitdrukkingen zegt iets wat ik niet kan begrijpen, niet kan lezen.

“Sorry dat ik je pijn heb gedaan.” Zijn stem hoor ik nauwelijks over de afstand, en langzaam voel ik de ene regendruppel na de andere vallen.

“Dat heb je niet gedaan. Je hebt me niet pijn gedaan.” Ik weiger het toe te geven, dat zal wel het laatste zijn wat ik zal doen.

“Doe dat niet…” Mompelt hij. “Lieg niet tegen me. Ik heb je pijn gedaan, en dat ontkennen helpt je niet. Het helpt je niet met het verdwijnen van de pijn.”

Met zijn handen in zijn zakken kijkt hij door de regen naar me. Langzaam komt het besef binnen, het besef hoe we zo ver zijn gekomen. Hoe we hier nu staan, in zijn voortuin, en hij loopt niet eens door de regen voor me. En ik kan alleen nog maar lachen, want wat anders moet ik doen?