regendruppel

flickr

Raindrops by Elsje On/Off

XVIII.

Ik loop naar buiten toe om het zoekende in mij kwijt te raken. De grove regendruppels slaan als meteorieten in op mijn gezicht; en ze passen perfect tussen mijn tranen. Niemand ziet het wanneer je huilt in de regen. Niet omdat druppels en tranen misschien veel op elkaar lijken, maar omdat iedereen alleen naar zichzelf kijkt wanneer de wolken huilen. Ik pak mijn moeders fiets uit de garage en ik begin met trappen. Niet in een specifieke richting, maar gewoon vooruit. Mijn capuchon laat ik af. Ik wil het water op mijn huid voelen, alsof ik een bevestiging nodig heb dat ik daadwerkelijk leef.
Vanavond besta ik enkel van lantaarnpaal tot lantaarnpaal, daartussen is er immers niets. Geen schemering of poëtisch silhouet; helemaal niets. De gitzwarte nacht laat me verdwijnen wanneer ik dat wil. En in die onzichtbaarheid in de ogen van anderen, ben ik het meest mezelf. Want in het donker doet het er niet toe of ik een vrouw ben of niet. Het maakt niet uit wat voor littekens ik draag, of dat ik met meisjes slaap. Het donker is niets. En in dat niets ben ik alles; alles waarnaar ik op zoek was. Alles wat ik wil zijn, maar bovenal,
alles wat ik hoor te zijn.

Als je opgroeit met de woorden: “het is beter om gezien te worden dan gehoord”, leer je om je stem op te geven.
Je keel wordt doorgesneden door
een geschiedenis van stilte, 
kind, weet je dan niet dat niemand iets geeft
om wat je te zeggen hebt?

Toen ik 7 jaar oud was, was het de eerste keer dat mijn vader me zei dat ik m'n mond moest houden, zijn gedonder was veel sterker dan mijn regendruppels dus ik deed wat hij me opdroeg.
Ik leerde hoe ik mijn mond moest houden, totdat bloed de binnenkant van mijn tanden bedekte.
Ik was een kind dat geen enkele traan liet, omdat geen enkel persoon wou weten hoeveel pijn het deed om niet gehoord te worden.


Ik was 10 jaar toen mijn beste vriendin, mijn ideeën voor de eerste keer “stom” noemde,
en dat deed mijn gedachten op zichzelf instorten.
Ik had niemand nodig om me te leren hoe ik moest zwijgen want mijn woorden waren al een straf op zich.
De enkele keren dat mensen reageerden op wat ik te zeggen had, was het om te lachen om wat ik zei.
Wisten ze maar dat hun gegiechel als messen in mijn huid sneden.


Ik was 13 toen mijn klasgenoten me voor de eerste keer “het meisje dat nooit spreekt” noemde, maar op dat punt in mijn leven was ik niet eens zeker of ik het wel kon, mijn stem was een vervaagde vreemdeling in mijn lichaam. In mijn gedachten, verloor ik de mogelijkheid om mensen te vertellen dat ik echt was, dat ik nog steeds bestond, dat ik iemand nodig had om naar me te luisteren.


Ik ben nu 16 en heb mijn weg naar woorden als stotterend en struikelend gemaakt, ik heb de angst en bezorgdheid die achter in mijn keel verstopt zat, vervangen door geluid en het voelt geweldig om eindelijk te kunnen spreken-
Maar nog steeds zijn er dagen dat mensen me aankijken alsof ik geen vrije meningsuiting verdien te hebben, er zijn nog dagen dat ze me neerschieten omdat ze geen nood hebben aan mijn onenigheid aan te horen en er zijn nog dagen dat ik bang ben om mijn woorden van overtuiging uit mijn mond te laten rollen, omdat ik zogezegd nog geen weet heb van wat er in de wereld omgaat.
Net dat zijn de dagen dat ik het liefst terug in de stilte zou willen vallen.

—  Dagen Van Stilte
12 mei 2015

Ik stamp hard met mijn blote voeten op de harde tegels buiten. Mijn hoofd opgeheven naar de lucht. Schreeuwend. In de hoop dat er dikke regendruppels naar beneden kwamen zetten met harde onweer. De enige druppels die er kwamen waren die uit mijn ogen.
De zon bleef vrolijk schijnen.

Boos op de wereld. Boos op mezelf. Boos op de mensen om me heen. Boos op de mensen die alles hebben verpest. Voor zichzelf. Voor mij. Gewoon even boos op alles.

Ik stamp nogmaals hard met mijn blote voeten op de harde tegels buiten. Mijn hoofd heb ik laten zakken en ik huil zoals een kleine baby dat doet. Niemand die het merkt. Niemand die het ziet. Niemand die het hoort.

De wind waait hard en de zon schijnt fel. Regendruppels tikken hevig tegen nietsvermoedende ramen aan. Een regenboog reikt ver boven de hoogste gebouwen uit. Het lijkt wel alsof ze een competitie houden om te kijken wie de sterkste indruk kan achterlaten. Ik ben alvast niet in mijn element om mee te doen. Gedachten razen door mijn hoofd, - aan een snelheid waar het licht niets tegen is -, en mijn wallen zijn niet langer genoeg om het water tegen te houden. Een beklijvende angst overvalt mij; zal ik ooit weer gelukkig zijn? Of ben ik het nog steeds, maar niet meer in staat het te zien? Vragend staar ik naar de grijze wolken en de regen vermengt zich met mijn tranen; het overgebleven verdriet is niet meer dan zout hemelwater nu.

anonymous asked:

Geniet van elk moment, elke mooie zonsondergang, elke glimlach, elke zonnestraal en zelfs elke regendruppel. Gun jezelf dagen om gewoon niets te doen, om tot rust te komen als je het nodig hebt. Babbel als je er nood aan hebt, krop niets op. Accepteer dat niet elke dag even goed zal zijn als de andere en weet ook dat mensen je zullen teleurstellen, dat hoort er allemaal bij, net zoals jijzelf ook fouten zal maken. Want fouten maken is menselijk. In 2018: ben gewoon unlimited jezelf. Tot ziens!♡

❤️❤️❤️

Een druilerige dag… hot springs time! Samen met alle andere toeristen zoeken we onze toevlucht in het warme water. Dit is meteen ook de enige fysieke activiteit die vandaag wordt verricht… Superluxueus is het hier zeker niet. Maar het zicht op Lake Tekapo en de verfrissende regendruppels op onze gloeiende hoofden maken veel goed.

Ook de vooravond van tram drie (er wordt er morgen eentje 30!) verloopt zen. Lam van het plonsen, stappen we de bus in. We rijden tot aan een mooie, verlaten baai aan de oever van het meer (foto) om vanavond te overnachten. Klaar om de laatste uren als twintiger in stilte en schoonheid, en met aflevering van Planet Earth, te beëindigen.

Mijn zelfvertrouwen is kleiner dan een huisstofmijt en mijn leegte dieper dan de Grand Canyon. Nachten bestaan niet meer uit sterren, of af en toe regendruppels, maar uit watervallen die over mijn wangen stromen. De wallen onder mijn ogen zijn niet genoeg om het water tegen te houden. Het zou iets kunnen zijn wat ik gezegd heb. Of gedaan, maar ik geloof niet dat ik dit heb verdiend. 

Halverwege de tuin met mijn rug naar het huis, hoor ik de voordeur dichtslaan en daar staat hij. Verscholen onder de afkapping. Zijn gezichtsuitdrukkingen zegt iets wat ik niet kan begrijpen, niet kan lezen.

“Sorry dat ik je pijn heb gedaan.” Zijn stem hoor ik nauwelijks over de afstand, en langzaam voel ik de ene regendruppel na de andere vallen.

“Dat heb je niet gedaan. Je hebt me niet pijn gedaan.” Ik weiger het toe te geven, dat zal wel het laatste zijn wat ik zal doen.

“Doe dat niet…” Mompelt hij. “Lieg niet tegen me. Ik heb je pijn gedaan, en dat ontkennen helpt je niet. Het helpt je niet met het verdwijnen van de pijn.”

Met zijn handen in zijn zakken kijkt hij door de regen naar me. Langzaam komt het besef binnen, het besef hoe we zo ver zijn gekomen. Hoe we hier nu staan, in zijn voortuin, en hij loopt niet eens door de regen voor me. En ik kan alleen nog maar lachen, want wat anders moet ik doen?