omhelzing

Een huis waar niemand meer woont

Schoonheid ligt in kreukels zoals je haren op het kussen vallen. Onder huid van lakenwit kraken botten in mijn omhelzing. Ik voel je bijna niet meer. Het voelt alsof ik naar leegte grijp, alsof ik een poging doe tot het vasthouden van de fluisterwoorden die door de kamers zweven. De televisie laat beelden van sneeuw zien en ruist al maanden in onze oren. De afstandsbediening onder een berg kleren naast het bed verstopt. Ik en jij zijn in het bed verstopt. Onder babyblauwe dekens steken je schouderbladen bloot.

Dit is een huis waar niemand meer woont.