nu met

Als kind lachte je
naar treinen en zie je daar
nu staan met je testament in je handen, klaar
om te gaan. Wij hebben de lichamen
van een sterfelijke en de dromen
van een god, in onze littekens
kan je leren lezen
dat niet iedereen gelukkig wordt. Je zegt dat
je het vanavond niet laat
zal maken, en ik weet dat je gaat
om niet meer thuis te raken.

on dit qu'elle est douce, fantasque, un peu sauvage. Qu'il y'a dans son regard, quand elle se tait, quelque chose qui met à nu. Que parfois, sa voix se brise quand elle rit.
—  Delphine de vigan
J'sais pas. J'ai toujours pensé que l'amour c'était ce qu'on avouait après des mois voir des années de connaissance, j'ai toujours pensé qu'il était sincère quand on n'arrivait pas à le dire droit dans les yeux et menteur quand on le disait fièrement, joyeusement, comme une découverte.
Non. Dire “je t'aime”, ça ne devrait pas rendre heureux. L'amour ça fait peur, en le disant; on devrait trembler comme une feuille, avoir les larmes aux yeux parce que c'est à cet instant précis que l'autre est libre de faire ce qu'il veut de notre cœur. On se met à nu, on se dévoile et c'est dangereux. J'ai toujours pensé que les messages jamais envoyés et que les paroles jamais énoncées étaient les plus sincères; je sais pas. Ce n'est pas parce qu'on n'arrive pas à dire quelque chose que l'on ressent qu'il n'y a pas de sincérité; au contraire : ça prouve qu'on a peur et quand on a encore quelque chose à perdre.
—  lespiquresaines
On dit d’elle qu’elle est douce, fantasque, un peu sauvage. Qu’il y a dans son regard, quand elle se tait, quelque chose qui met à nu. Que parfois sa voix se brise, quand elle rit
—  Delphine de Vigan, Les jolis garçons
Laat me nu maar even alleen met mijn gedachten, want geloof me: het zijn er genoeg. Ik zal het in mijn eentje wel uitvechten, maar moest ik falen in mijn strijd, hou je dan vast aan de beste herinneringen. Als je nog eens aan mij zou denken, denk dan aan de goede dingen die ik zei en deed - ook al zijn het er niet zo veel. Vertel dan over wie ik was tijdens goede momenten en hoe ik soms niet meer uit mijn woorden kon komen, omdat ik zo hard moest lachen. Of vertel over hoe ik mij helemaal kon verliezen in het schrijven of het lezen van een boek. Je mag ook vertellen over de kuiltjes in mijn wangen en mijn kaken die steevast altijd rood kleurden. Zelfs de sproetjes die zich in de winter verstopten, maar zich weer toonden als het zonnetje begon te schijnen mogen bovengehaald worden. Vergeet ook niet te zeggen dat ik zeventien jaar lang meer dan mijn best heb gedaan om te vechten tegen al wat me ervan weerhield om gelukkig te worden. En terwijl je dit alles vertelt, hou dan in je achterhoofd dat ik het leven echt wel lief had, maar dat liefde niet altijd wederzijds is.
Il fait beau

Il fait beau. Qu’est-ce que cela peut me faire, qu’il fasse beau ? Qu’est-ce que j’en fais, du fait qu’il fasse beau ? Le temps qu’il fait agit-il sur moi, me procure-t-il de la joie ? Suis-je à ce point tributaire de la météo, de la lumière, de la température extérieure ? Si je reste à l’intérieur, je perçois cependant le bleu du ciel ; les rayons du soleil viennent cogner aux vitres. J’ai la chance d’habiter au sixième étage de l’immeuble, je vois le ciel, je vois le bleu. Quand il fait beau à Paris, à un moment donné de la journée, le ciel devient blanc laiteux, un blanc lumineux qui fait mal aux yeux. Le beau temps me fait mal, me met à nu. Les larmes me viennent, quand je vois là où j’en suis. Je me pose alors des questions que le mauvais temps n’éveille pas. Quand il fait gris, j’ai autre chose à faire qu’à regarder le ciel. Mon activité ne dépend pas du temps qu’il fait. Si mes ancêtres étaient paysans, je ne le suis pas. J’ai perdu la mémoire de leurs gestes. Je suis une plante verte qui déplie quelques feuilles chaque jour. Et puis, il y a «la vie dans le silence des organes» ; la vie affective et ses tropismes ; la vie sexuelle et ses pulsions. Ainsi, «la santé est l’état dans lequel les fonctions nécessaires s’accomplissent insensiblement ou avec plaisir». Il fait beau, cela rend joyeux, cela rend triste. Il fait beau, il fait seul. Le soleil n’est pas seul, d’autres pédalent derrière. «Brillant soleil ! D’abord exclamation de joie, il y répond l’acclamation du monde (même à travers les larmes, car c’est grâce à lui qu’elles brillent).» Et le langage n’est là que pour nous séparer du monde, ou déjà, nous donner le sentiment de nous y mouvoir plus aisément. Si la philosophie est née de l’étonnement devant le monde, cela suppose de se rincer le regard par un usage économe de mots. C’est ainsi que Francis Ponge inspecte la peau des choses : «Le jour est la pulpe d’un fruit dont le soleil serait le noyau. Et nous, noyés dans cette pulpe comme ses imperfections, ses taches, ses crapauds, nous sommes asymétriques par rapport à son centre. Son rayonnement nous enrobe et nous franchit, va jouer beaucoup plus loin.» On ne peut fixer le soleil comme on ne peut fixer la mort. La mort est en nous comme le noyau à l’intérieur du fruit. Le fruit qui mûrit au soleil a son propre compte à rebours. Soit il est cueilli à temps sur la branche, soit il pourrit sur la branche. Qu’il fasse beau, qu’il vente ou qu’il pleuve, nous nous cramponnons à notre branche, gonflés d’orgueil, striés de toutes parts. «Le soleil anime un monde qu’il a d’abord voué à la mort.»

21 maart

Jongste liefje is jarig vandaag. Echt jarig met alles erop en eraan. Feestkleedje, veel taart en traktaties. Gisteren begon voor mij het opnieuw beleven van haar komst op deze wereld. Die komst is nu vermengd met beelden van twee jaar geleden. Van huilend in het kraambed tot huilend aan het sterfbed. Ik zag de beelden heel helder. Heel confronterend. Niet dat ik alles nog precies weet van twee jaar geleden maar ik zie mezelf nog bij ons thuis, dat liefjes en lief daar taart kwamen brengen. Ik zie mezelf zitten op die zaterdagmiddag met mijn hoofd op twee plaatsen. De onrust na het eten. Ik moest gaan. Ik moest naar ons ma. Het zitten in de stoel naast grote zus, wachtend op de dood. Dat we alledrie bij ons ma zaten en ik haar los moest laten. Dat het intens verdrietig was en ook intens mooi om dat samen te kunnen doen. Bellen naar mijn lief, vol tranen en nog meer tranen toen bleek dat ons ma had gewacht tot de jarige op bed lag. Surrealisme ten top die dagen. Ik ben er nu ook niet helemaal bij. Dwaal soms wat af. Toch geniet ik intens van ons blije jarig liefje. Het huis ruikt naar taart. Uit school gaan we naar ons ma. Op haar uitnodiging had jongste liefje vier uur gezet. Eerst oma bezoeken. Dan smelt ik.

Terug naar het wereldse leven

Ik heb al een tijdje niet geschreven. Dat komt waarschijnlijk door twee redenen: de jongen waar ik nu mee samen ben is een Nederlander dus ik kan niet stiekem over hem schrijven wanneer hij erbij is én de tijd die ik in mijn eentje doorbreng, wordt gevuld met meditatie.

Nu is hij zijn busticket voor India aan het ophalen en heb ik mijn dagelijkse ochtendmeditatie er al op zitten, dus ik heb even tijd voor een update.

De dag dat ik terugkwam in Kathmandu na Vipassana was heel moeilijk. Door alle prikkels voelde ik me onwijs verstrooid en in de war en ik wilde eigenlijk niets liever dan teruggaan naar het meditatiecentrum. Toen ik Facebook opende kreeg ik zelfs een heel paniekerig gevoel.

De jongen die ook op het dakterras zat, had een kater dus was ook nogal traag van geest. Dat kwam dus perfect uit. Hij met zijn alcohol kater, ik met een Vipassana kater.

Marc bleek een Nederlandse jongen te zijn, maar het lukte me even niet om Nederlands te praten, dus spraken we die dag Engels met elkaar.

Die avond haalde Damien me op om uit eten te gaan met 15 van onze Vipassana genootjes. Dat was gezellig, maar ik kon niet iedereen even goed handelen (als in; to handle) en alle kleuren en geluiden van het restaurant waren me ook een beetje veel.

De dagen die volgden heb ik allemaal met Marc doorgebracht. Hij is echt een topgozer.

Hij motiveert me om naar de dagelijkse avondmeditatie in het Vipassana kantoor te gaan als ik geen zin heb of bijv. buikpijn heb, terwijl hij zelf niet met meditatie bezig is.

Toen we samen een nacht in een privékamer in Bhaktapur sliepen, bood hij zelfs aan om een uur beneden te gaan zitten, opdat ik rustig kon mediteren.

Ik vind het super veelzeggend dat hij me steunt in iets, enkel omdat het belangrijk is voor mij, en zijn eigen mening erover niet laat baten.

De meeste dagen hebben we een beetje rond het hostel gehangen en zijn we lekker uit eten geweest, maar we hebben ook een dagtrip naar Bodhnat gemaakt en zijn we met een motor (!!!) naar Bhaktapur gereden. Dat was echt heel eng en heel gaaf.

Ik zou Marc omschrijven als een gast met de leuke eigenschappen van de stereotype man, maar zonder de vervelende.

Hij is super praktisch, recht door zee, leidingnemend en avontuurlijk, hij heeft het nooit koud en kan altijd wel eten. Maar hij kan ook heel goed luisteren, is niet bot, communiceert goed, is niet irritant dominant en is niet snel aangevallen.

Bovendien vindt hij het ‘schattig’ als ik eten van zijn bord af steel?! Droomvent! Haha

Eergisteren kwamen we terug uit Bhaktapur en zouden we weer in onze eigen dorms in het hostel slapen. We zaten in mijn lievelingsrestaurant in Kathmandu te eten (hun chocolate lava cake omgg), toen hij zei: 'Ik vind het wel erg vervelend dat ik morgen niet naast jou wakker ga worden.’

Dus gisteravond heeft hij een privékamer voor ons geboekt in het hostel, ook al val ik sinds Vipassana elke avond tussen 9 en 10 in slaap en sta ik tussen 6 en 7 op om te gaan mediteren.

Dus nu lig ik lekker in een groot bed in een privékamer. Er was gisteren een enorme storm, dus het hele dakterras is nat, dus ik wil niet buiten zitten. Bovendien is het nog steeds niet bepaald zonnig.

Vandaag ga ik lekker een beetje rond m'n bedje blijven tot ik vanavond weer naar de groepsmeditatie ga. Het is best lastig, twee uur per dag mediteren. Maar tot nu toe is het op 1 dag na elke dag gelukt :) In Amsterdam zal het wel een stuk moeilijker worden, dus daar ben ik me alvast mentaal op voor aan het bereiden..

Morgen is Holi, je weet wel, dat hindoe festival waarbij iedereen elkaar met kleurenpoeder onder smijt. Hopelijk is het weer dan beter.

Jeetje, m'n laatste dagen in Nepal. Voelt zo onwerkelijk!

Vertel ze het maar, vertel het ze nu. Vertel ze wat je dwarszit, in welk zwarte gat je je bevindt. Wat denk je wel niet? Je moet gewoon je best doen, verdomme. Waarom doe je niks. Waarom wacht je zo passief af. Kom je bed uit nu, onderneem wat, stop met die depressiviteit. Doe iets met je leven, vind je het gek dat je je zo slecht voelt.
—  ik, tegen mezelf
On dit d’elle qu’elle est douce, fantasque, un peu sauvage. Qu’il y a dans son regard, quand elle se tait, quelque chose qui met à nu. Que parfois sa voix se brise, quand elle rit.
—  Les jolis garçons • Delphine de Vigan

Tumblr-gebruiker in de spotlight: Kenny Rubenis

Hoi! Vertel eens wat over jezelf: wie ben je en wat doe je zoal?

Ik ben Kenny Rubenis en in het dagelijks leven ben ik striptekenaar en animator. Ik teken voornamelijk strips en cartoons voor verschillende kranten/tijdschriften en maak zo nu en dan nog wel eens een tekenfilmpje of storyboard in opdracht, maar hoop dit jaar toch eindelijk ook eens aan een eigen korte animatiefilm te beginnen. Maar dat roep ik al vijf jaar, dus die kans is klein. Altijd te druk. Nu voornamelijk met mijn dagelijkse strip.

Voor de mensen die je niet kennen: jij tekent dus dagelijks de strip Dating for Geeks voor het dagblad Metro. Waar gaat die strip over? Zijn het je eigen ervaringen?

Dating for Geeks is een humoristische strip over 6 nerds en hun dagelijkse belevenissen. Een behoorlijk aantal van de strips gaat over hun (al dan niet aanwezige) liefdesleven (het “dating” uit de titel) maar het is beslist niet het enige onderwerp in de strip. Dat zou te eentonig worden. Eigenlijk komt alles uit het dagelijks leven aan bod. En inderdaad, één van de 6 geeks ben ik zelf, maar gelukkig is de strip niet 100% autobiografisch. Af en toe stop ik er wat eigen ervaringen in (niet alleen in de strips waar strip-Kenny in zit, soms beleeft één van de andere karakters iets uit mijn leven opnieuw), maar het grootste gedeelte blijft pure fictie.

Keep reading

En hoe gaat het met u?
Maar zo echt?
Hoe gaat het nu echt met u?
Hoe gaat het nu echt met u achter jouw “jahoorallesgaatgoed”-muur?
Vertel het me.

Ik sta met een waterkoker in mijn rugtas tegen een hek bij de voorzijde van Amsterdam Centraal. Meisjes en jongens zetten hun fietsen neer op de vastgelegde boot, het fietseiland. Het water in de gracht veert af en toe mee. Heel zacht deint het, je hoort het amper klotsen.
‘Terugkomen is iets anders dan blijven’ lees ik. Verderop staan de woorden tegen de wand van de onderzijde van de brug. Ik ben er wel vierhonderd keer langsgelopen, voorbijgefietst. Het rook onder die brug altijd naar zwervers, naar de gore uithoeken van de stad. Toen ik de zin voor het eerst las, vond ik hem lelijk. Ongepast en vreemd. Alsof de schrijver niet had begrepen wat zij in de woorden had gelegd. De balans kieperde van de zin af. Sommige dagen van het begin, andere dagen van het einde. Nu ik hier sta, met een onbenullig voorwerp tegen mijn rug gedrukt, snap ik het. Mensen laten elkaar bijna nooit terugkomen.