keileuk

Vertraging

Het duurt lang voordat ik op wil nemen. Deels omdat ik op een tochtig station sta te wachten tot de NS haar zaken op orde heeft, deels omdat ik niet de behoefte heb om haar te spreken. We rijden op de golven van afstand en toenadering, maar de laatste twee dagen hebben me steeds verder van haar gebracht. De seksuele spanning die in het begin ons contact domineerde lijkt iets uit een ver verleden. Ineens speelt het mij parten dat ze een vriend heeft, ineens maakt ze me driftig in plaats van teder. Het is een gedeelde schuld. Intimiteit met haar beangstigt me, maar zij ploegt onvermoeibaar door mijn dierbare grenzen heen. Het breekpunt nadert, ik voel het aan de tintelingen in mijn lijf. Een sluimerende drang om zaken te beëindigen.

“Hoi,” begint ze, “ik vroeg me af of je morgen nog naar mij toe zou komen. Ik dacht dat dat het plan was.” “Was dat het plan?” vraag ik. Ze zucht. “Ja, dat was het plan,” zegt ze afgemeten. “Jij had deadlines. Je moet niet verwachten dat ik geen andere plannen maak als jij zegt dat je het niet gaat redden.” Ze laat een stilte vallen. Ik zie haar voor me, spelend met een draadje aan haar trui of een propje papier op haar bureau. “Heb je andere plannen?” vraagt ze dan. Ik zie op het bord verschijnen dat mijn trein over twintig minuten arriveert. Met een beetje mazzel ben ik om half twee thuis. “Morgenochtend wel,” zeg ik terwijl ik oogcontact maak met een voorbijlopend meisje. Ze fronst, mijn mondhoeken krullen zich. 

“Hm, ik kan naar jou toe komen? Ik bedoel, dan werk ik bij jou die deadlines af en zien we daarna wel verder. Jij hebt ook werk te doen, toch?” Mijn glimlach wordt door het blonde meisje beantwoord, ik hoop dat we straks in dezelfde coupé zitten. “Jawel,” zeg ik.

De regent klettert verder op het dunne dak van de overkapping, de wind heeft nog altijd vrij spel. We zwijgen, de verbinding blijft in stand. “Ik word verdrietig van hoe afstandelijk je doet, weet je dat? Wil je me morgen zien of niet?” Ik haal mijn schouders op. Ik bel te weinig om mijn nonverbale signalen te onderdrukken. “Een andere keer lijkt me beter,” zeg ik dan. Ze reageert direct. “Ik denk niet dat die er komt. Ik hoop dat je gelukkig wordt, en dat er alleen maar goede dingen met je gebeuren vanaf nu. Slaap lekker vanavond.” Ze verbreekt de verbinding. Ik stop mijn telefoon in mijn zak, neem me voor om haar nummer te wissen wanneer ik thuis ben en kijk met een vreemd mengsel van opluchting en inktzwarte somberheid naar de kletsnatte rails voor mij.

Thuis

Het slot draaide om en ik zwaaide de deur open. “Het is niet veel,” zei ik terwijl ze voor me uitliep, “Maar het is thuis.” Ze liep naar het raam en keek naar de schaduw van de stad in de verte. “Wat was dat?” vroeg ze zonder zich om te draaien. Ik bestudeerde haar rechte rug en lange haren. “Wat was wat?” vroeg ik. “Dat toen we binnenkwamen. Het is niet veel, dat zei je. Waarom zeg je dat? Zeg je dat tegen iedereen die bij je langs komt?”

Ze had zich omgedraaid. Ik haalde mijn schouders op en ontweek haar blik. “Het is gewoon iets wat ik zeg. Ik bedoel, het is een kamer in een studentenflat. Hoeveel kan het zijn?” Ze schudde haar hoofd, driftig en haar haren sprongen op en neer. “Daar gaat het toch niet om. Dit is je huis, je thuis. Dit is van jou, alleen van jou. Deze plek is jouw ruimte, jouw veilige domein. Hier zou je je juist sterk moeten voelen, machtig. Waarom breek je het af? Wat boeit het hoe het eruitziet? Jij geeft toch niet echt een zier om welke kleur je muren zijn, of welke meubels hun functie dienen? Wees eens een beetje trots. Dit is jouw eigen plek. Je eerste echte eigen plek, en als je dit niet als een thuis kunt beschouwen denk ik niet dat een superluxe appartement in het centrum beter voelt.”

Ze plofte op de bank en trok een gek gezicht en liet toen een grijns zien. “Wellicht voel ik me meer thuis in je bed.”