jaren '60

Obama, Laos, en de lange arm van de geschiedenis

Het presidentschap van Barack Obama loopt op zijn einde. Acht jaar geleden werd hij verkozen, een historische overwinning, omdat hij Afrikaans bloed heeft. Hij heeft acht jaar de tijd gehad om zijn ambtstermijn even gedenkwaardig te maken als zijn verkiezing, en de komende weken en maanden zullen de eerste terugblikken op zijn regeerperiode al te lezen zijn. De verwachtingen waren torenhoog bij velen, en het is misschien niet helemaal eerlijk om hem daaraan te toetsen.

Maar, zoals altijd, zal de geschiedenis pas echt een oordeel vellen. Roosevelt heeft een overwegend positief imago, en Nixon negatief. We moeten afwachten waar Obama terecht zal komen.

De laatste maanden heeft hij geprobeerd een plaatsje in de geschiedenisboeken te verwerven door enkele opmerkelijke staatsbezoeken. Hij ging naar de oude aartsvijand Cuba, bezocht Hiroshima in Japan, en ging vorige maand naar Zuidoost-Azië, waar de Amerikanen nog geen veertig jaar geleden tot over hun oren in een verschrikkelijke oorlog verwikkeld waren. In Laos is die oorlog nog steeds zeer actueel, en daarom ging Obama naar dat land toe.

Onze premier Rutte werd in Zomergasten geconfronteerd met een wet uit 1971, die het volgens presentator Thomas Erdbrink onmogelijk maakte dat misdaden van nazi’s tijdens de bezetting konden verjaren. Toen Erdbrink vroeg waarom er niet ook zo’n wet bestond voor de misdaden van Nederlandse militairen in Indonesië, na de oorlog, kon Rutte daarop geen antwoord geven. De eerste vrouw van zijn vader, opmerkelijk genoeg de zus van zijn moeder, stierf namelijk in een Jappenkamp. De Nederlandse premier heeft een ‘Indisch’ verleden, en er is nog altijd veel gevoeligheid onder Indische Nederlanders over die tijd.

Mark Rutte heeft net als Obama last van een zware historische erfenis. Zoals de geschiedenis genadeloos zal oordelen over onze leiders, moeten zij dealen met de beslissingen die hun voorgangers hebben genomen. Obama boog zijn hoofd in Japan, maar in Laos bracht hij grotere offers, omdat de Laotianen nog steeds lijden onder de beslissingen van zijn voorgangers.

Laos werd ongewild betrokken in de Vietnamoorlog. Het land werd onafhankelijk van Frankrijk in 1953, maar was nog verre van een eenheid op dat moment, onder andere vanwege de grote etnische diversiteit in het land. Toen de koloniale oorlog in buurland Vietnam naadloos overging in een Koude Oorlog-conflict tussen communisten en kapitalisten uit binnen en buitenland kreeg ook Laos daarmee te maken.

De communistische Pathet Lao vocht een machtsstrijd uit met royalisten en gematigde groeperingen, en het is niet verwonderlijk dat de Pathet Lao werd gesteund door de Vietcong en indirect door de Sovjets en China aan de ene kant, en de andere partijen door de Verenigde Staten. De gruwelijke oorlog in Vietnam sloeg daardoor over naar Laos, en net als in Vietnam regende het daarom ook in Laos Amerikaanse bommen.

Het regende bijna letterlijk bommen: tussen 1964 en 1973 gooiden Amerikaanse bommenwerpers 2 miljard kilo aan bommen op Laotiaanse grond, meer dan de helft van het totaal aantal gewicht aan bommen dat tijdens de Tweede Wereldoorlog werd gedropt. Je kan je iets voorstellen bij de vernietiging die die bommen aanrichtten, en het menselijk leed, maar het is onvoorstelbaar hoeveel impact deze beslissing uit het verleden nog steeds heeft op het leven van alledag in het land. 80 miljoen van die bommen zijn namelijk nog niet ontploft.

Het gaat om clusterbommen, waarvan vele onderdelen nog steeds overal liggen, met alle gevolgen van dien. Helaas lijken de bommen een beetje op tennisballen, en worden vooral kinderen het slachtoffer van de bommen. 20.000 doden zijn er al gevallen door deze bommen van 40 jaar geleden, en nog maar 1 procent ervan is geruimd. Veel werk aan de winkel dus.

Obama was de eerste Amerikaanse president ooit die Laos bezocht, op zichzelf al een historisch gegeven, maar hij kwam vooral een historische schuld inlossen. “Gezien onze geschiedenis hier, vind ik dat de Verenigde Staten de morele verplichting hebben om Laos te helpen gezond te worden”, zei hij bij zijn bezoek. Hij voegde de daad bij het woord: hij trok 90 miljoen dollar uit voor het ruimen van de bommen, voor voorlichting, voeding, gezondheidszorg en scholing in het land.

Ondertussen maken de Laotianen er het beste van. De hulzen van de bommen worden overal gebruikt als bouwmateriaal of voor andere doeleinden. “If you have a cross to bear, you may as well use it as a crutch”, zoals Roisin Murphy van Moloko al zong. Maar de ellende die de bommen nog steeds aanrichten, de dood en verminking, is nauwelijks te overzien. 90 miljoen dollar valt daarbij in het niet. Bovendien: hoeveel hebben die bommen in eerste instantie wel niet gekost?

De les van Laos is dat het belangrijk is om na te denken over de langetermijngevolgen van je beslissingen, en daarvan ook op de lange termijn de consequenties te dragen. De geschiedenis heeft een lange arm en werpt een lange schaduw over onze toekomst. Het is te hopen dat onze leiders zich daar op elk moment van de dag bewust van zijn, en niet alleen bezig zijn met het verkrijgen van een goede naam in hun eigen geschiedenisboek.

2

A wrinkle in time


Hope Larson - Madeleine L’engle

Dit verhaal mag je toch wel een Amerikaanse klassieker noemen.
Het orgineel van Madeleine L'engle dateert al uit de jaren 60 en is het eerste deel uit een serie waarvan dit de enige is die in tekeningen is omgezet.
Het is een boek dat wordt gelabeld voor kinderen en jong volwassen maar bevat vele onderwerpen die volwassenen zeker aanspreken. Liefde, vriendschap, goed en slecht, licht en donker, conformiteit, zelfontplooiing, geloof en “tesseract”.

Het verhaal draait om tiener Meg Murry, een onhandig buitenbeentje, die voornamelijk boos is en ze is het zat dat ze net anders is dan andere. Ze heeft een sterke band met haar kleine broertje Charles Wallace die ook anders is maar op een hele andere manier. Hij voelt Meg aan en weet wat haar dwars zit voordat ze ook maar een woord erover gezegd heeft.

Meg leeft samen met haar moeder, jongere tweelingbroers en dus haar kleine wonderbroertje Charles. Haar vader, een gerenommeerde wetenschapper, is plotseling weggegaan voor een geheime missie maar heeft al tijden niets van zich laten horen.

Op een dag ontmoet ze via Charles, Mrs. Whatsit, Mrs. Who en Mrs. Which, Drie oude vreemde dames die later een soort (bescherm)engelen blijken te zijn.
Samen met haar broertje, de drie dames en een jongen uit het dorp genaamd Calvin, die zijn instinct volgde en zo bij het gezelschap terecht kwam, gaat Meg op zoek naar haar vader.

Om hem te vinden moeten ze reizen door tijd en ruimte doormiddel van een vijfde dimensie, de tesseract. Een soort wormhole warp beam me up scottie.
Ze komen op planeten waar het donker overheerst, alles word bepaald door HET, en niemand meer hoeft na te denken.
Megs vader zit gevangen op z'n planeet en om hem te bevrijden zullen ze het tegen het donker, tegen HET moeten opnemen. Dat blijkt lastiger te zijn dan gedacht want HET weet zelfs de sterkste te breken en tot zijn gevangene te maken. Meg zal om haar familie weer bij elkaar te krijgen op zoek moeten gaan naar het ene ding wat HET niet kent en wat HET kan verslaan.

Het verhaal is in 2012 verstript door Hope Larson. Haar tekenstijl is eenvoudig maar verzorgd en doet mij een beetje denken aan Seth, Craig Thompson en Michel Rabagliati. Een stijl die ik zeer kan waarderen. Enige minpuntje is dat wat Thompson kan, je weg blazen met een pagina vullende powerplaat, hier volledig ontbreekt en je nergens doet likkebaarden.
Het is allemaal goed genoeg om je niet van het verhaal weg te duwen maar net niet sterk genoeg om een extra dimensie te geven. Je moet het dus voornamelijk toch echt van het verhaal hebben en dat is naar ruim 50 jaar nog steeds sterk.

25 mei. 50 jaar Provo, met ouderwetse happening maar ook met app

Met een speciale happening bij het Amsterdam Museum, dat voor de gelegenheid de beroemde witte fietsen weer in de stad tentoon stelt, en een heuse app, is vandaag stil gestaan bij het feit dat precies vijftig jaar geleden de Provo-beweging ontstond. Het eerste pamflet van deze antiautoritaire jongerenbeweging die in de jaren ’60 een diepe indruk maakte op het naoorlogse Nederland, verscheen op 25 mei 1965. 

De naam ‘provo’ was een geuzennaam: criminoloog Wouter Buikhuisen promoveerde in 1965 op een nieuw maatschappelijk fenomeen dat hij omschreef als antiautoritair en provocerend nozemgedrag van bepaalde jongeren, waarbij met nozem natuurlijk het type uitdagende, opstandige jongere met vetkuif, leren jas en spijkerbroek op de onvermijdelijke Puchs en buikschuivers werd bedoeld, dat de Nederlandse brave burger sinds 1955 de stuipen op het lijf joeg. De nieuwe generatie opstandige jongeren ging de term ‘provo’ als geuzennaam gebruiken.

Filosoof Roel van Duijn was de eerste die de term overnam van Buikhuisen, en hij was dan ook samen met onder andere drukker Rob Stolk en uitvinder Luud Schimmelpennink een van de oprichters van de beweging. De nieuwe nozem was net zozeer uit op lol trappen, maar had politieke en maatschappelijke doelstellingen met zijn acties. Provo vond het Nederland van de jaren ’50 en ’60 veel te autoritair en te streng, en vond vooral dat degenen die meenden autoriteit te hebben, zoals politieagenten, bestuurders en ouders, zich veel te vaak niet aan de gedragsregels hielden die zij anderen oplegden. 

De organisatie verzette zich bijvoorbeeld, altijd op provocerende maar ludieke wijze, tegen geweld door politieagenten tegen demonstranten of krakers en dergelijke, tegen het aanstaande huwelijk van kroonprinses Beatrix met Claus van Amsberg, die in hun ogen beide bepaald gezag hadden waar ze geen recht op hadden, of tegen autoritaire universiteitsbesturen. Ook gelijke rechten voor vrouwen of homo’s, milieukwesties, sociale ongelijkheid, en stadsvernieuwing kregen de volle aandacht van de nieuwe beweging, die in veel opzichten een voorloper bleek van de huidige milieu- en emancipatiebewegingen en politieke partijen.

Om tot deze verheven doelen te komen koos Provo, anders dan andere bewegingen met vergelijkbare doelstellingen, zoals de Duitse Rote Armee Fraktion, voor geweldloze acties. Spandoeken werden opgehangen, pamfletten uitgedeeld, gratis krenten uitgedeeld (waarvoor provo Koosje Koster zelfs werd gearresteerd), er werden geruchten verspreid dat bij de genoemde bruiloft aan de paarden suikerklontjes met LSD gevoerd zouden worden, en allerlei andere happenings rond het standbeeld Het Lieverdje in Amsterdam liepen zelden uit op geweld. Een bekend door anti-commercialisme en milieuoverwegingen geinspireeerd zijn de gratis witte fietsen die Provo in de binnenstad van Amsterdam neerzette voor ieders gebruik: een systeem dat (zij het tegen betaling) tegenwoordig in vele grote steden ter wereld bestaat.

Provo bestond maar amper twee jaar. Op 13 mei 1967 hief de beweging zichzelf op. Als reden gaven de Provo’s dat ze tegen instituties waren, en niet zelf een instituut wilden worden. De beweging had vanaf het begin geen illusies over grote macht of invloed. In de beginselverklaring verwoordde Provo het zo: “Provo ziet zich voor de keus gesteld: desperaat verzet of lijdzame ondergang. Provo roept op tot verzet waar het kan. Provo ziet in dat het de uiteindelijke verliezer zal zijn, maar de kans deze maatschappij nog eenmaal hartgrondig te provoceren, wil het zich niet laten ontgaan.”

Het feit dat de naam Provo tegenwoordig velen nog steeds bekend in de oren klinkt, niet alleen degenen die de jaren ’60 bewust hebben meegemaakt, en de bekendheid van de methoden en acties van de beweging, toont aan dat de inspanningen van de Provo’s niet voor niets zijn geweest, zoals ze zelf vreesden. Uiteraard zijn veel van de maatschappelijke misstanden die Provo constateerde er nog steeds, en kan je het ook oneens zijn met hun analyse of hun politieke oplossingen. Maar hun methoden spreken tot de verbeelding.

In de loop van de geschiedenis en tot de dag van vandaag zijn er vele groeperingen geweest die meenden hun punt te moeten maken middels geweld en door dood en verderf te zaaien. Zij zouden eens moeten kijken naar Provo, en moeten zien dat een andere aanpak misschien ook vruchten kan afwerpen, zonder dat er bloed hoeft te vloeien.

John Lennon schreef in 1968 Revolution, waarin hij gewelddadig verzet tegen autoriteiten verwierp. Zouden de Beatles zijn geïnspireerd door Provo?

20 november. Protestzanger Armand overleden

In een Eindhovens ziekenhuis is gisteravond protestzanger en muzikant Armand overleden. Hij was al geruime tijd ziek. Eindhovenaar Armand, geboren als Herman George van Loenhout, kreeg in de jaren ’60 landelijke bekendheid als zanger en dichter.

Zijn grootste hit, het onsterfelijke Ben ik te min, is een aanklacht tegen de conservatieve standenmaatschappij waar de ik-persoon in het lied zich tegen verzet als hij merkt dat de ouders van zijn liefje in hem geen geschikte partij zien. Het is een protest tegen burgerlijk dédain jegens vrijdenkers en afwijkende lieden. Armand is daarmee (samen met Boudewijn de Groot) de belangrijkste Nederlandse vertolker van dat mooie fenomeen: de protestsong.

Armand rookte zijn laatste stickie, alsof hij dat zo bedoeld had, op 69-jarige leeftijd. Dat getal roept onmiddellijk associaties op met de generatie waarvan hij deel uitmaakte: 1969 was de ‘Summer of Love’, het jaar van het rockfestival Woodstock, het jaar van de definitieve doorbraak van de hippie-cultuur en een jaar van grote protesten tegen de oorlog in Vietnam. De antiautoritaire rebellie van de jeugd, in de vorm van de studentenprotesten in Parijs van mei 1968;  de Praagse Lente van 1968, de opstand tegen het communistische regime in Tsjechoslowakije; de Maagdenhuisbezetting van 1969: de jongste generatie was de bekrompenheid van alle vormen van gezag zat, en kwam in opstand.

De generatie ’69 wilde de samenleving anders inrichten, en wilde betere kansen en meer bewegingsvrijheid voor jongeren. Zij zagen ‘no future’ voor zichzelf in de samenleving zoals die was ingericht. Anders dan de rebellie tegen de gevestigde orde die een deel van de jongeren in steden als Brussel en Parijs tegenwoordig pleegt met bommen en automatische wapens, en zonder de hanenkammen en metalen accessoires van de jaren ‘80, vochten Armand en de zijnen tegen het establishment met twee wapens: de gitaar, en het lange haar. Beiden heeft Armand nooit afgezworen.

Muziek en dichtkunst worden al eeuwen gebruikt om te protesteren tegen de ‘powers that be’. De oorsprong van onze moderne protestsongs is te vinden in 19e-eeuws Amerika, waar überhaupt de wieg van de popmuziek staat. Folk-artiesten zongen protestliederen tegen de Amerikaanse Burgeroorlog of tegen de slavernij, en de slaven zelf lieten in hun muziek die uiteindelijk zou uitgroeien tot de Blues hun onvrede en verdriet over hun geketende bestaan blijken.

Het was dan ook in de Verenigde Staten dat de protestzanger uiteindelijk een wereldwijde hit werd, natuurlijk in de persoon van Bob Dylan. Net als Armand, die enkele jaren jonger was, is Bob Dylan een artiestennaam. Robert Allen Zimmerman brak begin jaren ’60 door als folkzanger, en hij zou zich vernoemd hebben naar de dichter Dylan Thomas, hetgeen hij overigens altijd ontkend heeft en later slechts ten dele bevestigd.

De muziek van Bob Dylan werd zeer beïnvloed door de oude blues, folk en gospel van de Verenigde Staten. Hij maakte er echter iets nieuws van: het sociaal geëngageerde popliedje, waarvan er vele een wereldhit werden. De eerste protestsong die een hit werd was Blowing in the Wind uit 1963, waarin hij vraagtekens zet bij bestaande sociale verhoudingen. Later volgden nog tientallen nummers die klassiekers zouden worden, zoals The Times They are A-Changing uit ’64, in het protestgenre en ver daarbuiten.

In de jaren ’60 had Dylan echter voorlopig een voorbeeld gesteld dat veel navolging zou krijgen: Eve of Destruction van Barry McGuire, Ohio van Neil Young, Fortunate Son van Creedence Clearwater Revival, en vele liedjes van de Beatles zoals Revolution: het zijn allemaal protestsongs die de zorgen en grieven van een jonge generatie uitten, en de woede over de onmacht of kwade wil van het establishment. De hippies van de jaren ’60 met hun Make Love not War zouden de eerste generatie jongeren zijn die zich zo uitgesproken tegen sociale verhoudingen afzetten: punk, hiphop en rap zijn enkele van de erfgenamen van het genre.

Zoals dat vaak gaat werden al de genoemde muziekgenres uiteindelijk grotendeels door de commercie ingekapseld en van de scherpe kantjes ontdaan. Zelfs dé stem van de protestgeneratie, Bob Dylan zelf, werd in bepaalde opzichten onderdeel van het establishment waartegen hij zich verzette, met zijn eredoctoraten en presidentiële onderscheiding.

De Nederlandse Bob Dylan Armand deed dat niet: hij bleef trouw aan de ideeën van de protestgeneratie van ’68-’69. Hij bleef sociaal geëngageerde liedjes schrijven, begeleid met de gitaar en mondharmonica. Wat levensstijl en uiterlijk betreft bleef het voor Armand voor altijd 1969, ondanks het feit dat hij woonde in een heel gewoon Eindhovens rijtjeshuis. Zoals hij ons al in 1967 leerde, gaat het er niet om in wat voor huis je woont, of in welke kar je rijdt. Het gaat om wat je doet, en hoe je je opstelt in het leven.

Met Boudewijn de Groot en zijn klassiekers als Welterusten, mijnheer de president streed Armand om de titel ‘Nederlandse Bob Dylan’. Beide heren zijn zeker niet te min voor die eretitel, maar moeten vooral worden gezien als de Nederlandse Armand en Boudewijn de Groot. Armand deed het namelijk op zijn eigen manier. In de woorden van zijn collega Boudewijn, maar dan zonder sarcastische ondertoon: “Mijnheer de Protestzanger, slaap zacht”.

27 oktober. Koninklijk bezoek op de rode loper bij première Bond-film

Gisteren ging de nieuwe James Bond in première in de Royal Albert Hall in Londen. We hebben sinds Skyfall uit 2012 drie jaar moeten wachten op de nieuwe Bond, de 24e film alweer over de Britse superspion, die de naam Spectre gekregen heeft. SPECTRE is de naam van de misdaadorganisatie, geleid door de superslechterik Ernst Stavro Blofeld, waarmee Bond, deze keer wederom gespeeld door Daniel Craig, het al sinds 1963 aan de stok heeft. Deze keer wordt Blofeld gespeeld door de Duits-Oostenrijkse acteur Christoph Waltz, wat de film op zich al de moeite waard maakt, naast de verschijning van Monica Bellucci en Léa Seydoux. .

Dat dacht een aantal leden van de Britse koninklijke familie gisteravond kennelijk ook. Buckingham Palace stuurde een zware delegatie naar de première. Terwijl onze koning Willem-Alexander in China op bezoek is en wordt geacht over mensenrechten te beginnen, hadden zowel prins William en zijn vrouw Kate, voorheen bekend onder de naam Middleton, tegenwoordig hertogin van Cambridge, en prins Harry een avondje uit in hun eigen woonplaats.

Het feit dat de koninklijke familie zich vertoont bij de première van een nieuwe Bondfilm betekent eigenlijk maar één ding: koningin Elizabeth, die al op de troon zat toen het eerste boek van James Bond-bedenker Ian Fleming in 1953 verscheen, erkent de grote waarde van James Bond als exportproduct, en als uithangbord van de Britse cultuur. Bond is Britser dan Brits, en misschien wel Britser dan de koningin en haar kleinzoon William zelf, die per slot van rekening veel Duits bloed in hun aderen hebben stromen.

Ian Fleming werd geboren in Londen, en kwam uit een goede familie. Zijn vader, die stierf aan het front van de Eerste Wereldoorlog, zat in het Lagerhuis, en zijn grootvader was een rijke Schotse bankier. Dit maakte Fleming meer Brits dan Engels, net als James Bond zelf, die immers in eerste instantie werd vertolkt door de Schot Sean Connery.

Fleming liet overigens in zijn één na laatste roman over Bond, You Only Live Twice uit 1964, doorschemeren dat het personage een Schotse vader had, en zelfs een Zwitserse moeder. Die Schotse afkomst is ongetwijfeld ingegeven door het feit dat Connery in dat jaar al tweemaal Bond had vertolkt in de films Dr No en From Russia With Love.

Fleming zat als jongeman op het zeer prestigieuze internaat Eton, waar de leden van de Britse aristocratie en politieke elite vrijwel allemaal op gezeten hebben, inclusief William en Harry en een hele reeks premiers. Fleming werd journalist, en versloeg in de jaren ’30 in Moskou de showprocessen waarmee Jozef Stalin zich ontdeed van (vermeende) rivalen. Hij kreeg zelfs een keer, toen hij om een interview met Stalin had gevraagd, een persoonlijk handgeschreven briefje van de Sovjetleider, waarin hij zich verexcuseerde. De fixatie met de Sovjets zou blijven bestaan in de verhalen van Fleming.

In 1939 sloot Fleming zich aan bij de inlichtingendienst van de Britse marine, waar hij niet voor gekwalificeerd was, maar waar hij snel carrière maakte, en, belangrijker nog, de praktijk van het spionnenleven leerde kennen. Hij was betrokken bij enkele geheime operaties tijdens de tweede Wereldoorlog, waarvan er één Operation Goldeney heette. Ook was hij betrokken bij twee speciale inlichtingen- en commando-eenheden met de coole namen 30 Assault Unit en T-Force. Het is duidelijk waar hij zijn inspiratie voor de Bondverhalen vandaan haalde.

Door zijn achtergrond en werkzaamheden kon het personage Bond niet anders dan een patriottische Britse held zijn, met de karakteristieke nonchalance en de lak aan al te veel ceremonieel en autoritair gedrag. Bond is een gentleman, altijd perfect gekleed, welbespraakt, nooit van zijn stuk gebracht, met stiff upper lip en veel gevoel voor humor. Hij is een echte ‘Etonian’ zoals William en Harry.

De vrouwen uit andere landen vindt hij wel interessant, maar Bond heeft, net als de stereotype Brit, weinig op met de drukgdoenerigheid van Italianen, het Franse dwepen met ceremonieel en autoritaire, hiërarchische verhoudingen, en de amicale Amerikaanse boersheid. Om nog maar te zwijgen over de Duitsers en de Russen. Onverstoorbaar en alsof het hem geen enkele moeite kost zorgt Bond ervoor dat overal ter wereld de boel een beetje fatsoenlijk blijft lopen en dat heethoofden op hun plek worden gezet. In de persoon van Bond is Groot-Brittannië nog steeds de politieagent van de wereld, die het in de 19e eeuw was.

Alle Britse clichés komen aan bod in de Bondfilms, en Bond rijdt, met enkele uitzonderingen die veel ophef opleverden, in een Aston Martin of Jaguar. Hij werkt On Her Majesty’s Secret Service, en gaat de slechteriken te lijf met de laatste paradepaardjes van de Britse technologie, aan hem overhandigd door de wetenschapper Q, even onverstoorbaar als Bond zelf. Bij deze opsomming moet wel gezegd worden dat Bond een Duits pistool heeft (de Walther PPK), en een cocktail drinkt waarin hij om wodka vraagt, in plaats van de traditionele gin.

Desondanks is Bond een even sterk Brits symbool als de Premier League, Britse rockbands, Britse comedyseries en het koninklijk huis zelf. 007 zit naast Queen Elizabeth op de troon, en de koningin lijkt dat te beseffen.

25 januari. Haarlok van Abraham Lincoln levert 25.000 dollar op

Een haarlok van Abraham Lincoln, de 16e president van de Verenigde Staten, die het land intact door de burgeroorlog die volgde op de afschaffing van de slavernij loodste, heeft op een veiling in Texas 25.000 dollar opgeleverd. Andere Lincoln-memorabilia die door de zoon van een Texaanse kunsthandelaar werden verkocht leverden in totaal 800.000 dollar op. Lincoln is een van de meest geëerde oud-presidenten van de VS en heeft een onsterfelijke status gekregen. Dit blijkt uit deze opbrengst.

De veiling vond plaats in Dallas, en daarmee stuitten we op een beroemde reeks overeenkomsten tussen de levens en de gewelddadige dood van Lincoln en een andere hooggewaardeerde Amerikaanse president: John F. Kennedy. Abraham Lincoln werd net als Kennedy tijdens zijn eerste termijn als president doodgeschoten. Zij zijn niet de enige twee presidenten die dat overkomen is, maar er zijn meer overeenkomsten. Voor het nieuws van vandaag is het om te beginnen opvallend dat Kennedy werd doodgeschoten in Dallas, waar dus de veiling van Lincoln-memorabilia werd gehouden.

De overeenkomsten of opvallende gelijkenissen tussen de levens en carrières van de twee vermoorde presidenten zijn de volgende: Lincoln werd in 1846 Congreslid, Kennedy in 1946. Lincoln werd gekozen tot president in 1860, Kennedy in 1960. Tot zover de op zijn minst opvallend, maar niet veelzeggende overeenkomsten tussen beide presidenten.

Interessanter wordt het als we naar enkele verdere overeenkomsten kijken. De vrouwen van beide presidenten verloren allebei een kind tijdens de bewoning van het Witte Huis. Deze beide ongelukkige vrouwen waren ook allebei in de directe omgeving van hun presidentiële echtgenoten toen deze een kogel door hun hoofd geschoten kregen. Lincoln werd doodgeschoten in het Ford’s Theatre in Washington, terwijl Kennedy werd doodgeschoten op de achterbank van een Lincoln, een model van autofabrikant Ford.

Deze moorden werden beide gepleegd door mannen die later bekend zouden worden onder drie namen (John Wilkes Booth en Lee Harvey Oswald, respectievelijk). Bij elkaar opgeteld bestaan beide namen uit vijftien letters. Beide moordenaars werden uiteindelijk niet voor het gerecht gesleept, maar op hun beurt vermoord. Kanttekening hierbij is dat er over de moord op Kennedy allerlei andere theorieën de ronde doen, en dat op zijn minst twijfel bestaat of Oswald ook daadwerkelijk de dader is. Booth stond op hetzelfde balkon van het theater, terwijl Oswald tientallen meters van Kennedy verwijderd was. Een overeenkomst tussen beide moorden, die allebei op een vrijdag plaatsvonden, is dan weer dat bij beide verhalen van een grote, sinistere samenzwering achter de moord bestaan.

Een laatste niet te ontkennen toevalligheid dat beide presidenten door een Johnson werden opgevolgd: Andrew Johnson (geboren in 1808) en Lyndon B. Johnson (geboren in 1908). Dit toont echter dan weer het element waarschijnlijkheid in deze overeenkomsten aan: Johnson komt vaak voor als achternaam. Beide moorden op een vrijdag betekent eigenlijk niet zo veel. Het feit dat beide moordenaars op hun beurt vermoord zijn, is ook niet zo gek, gezien de chaos en woede die volgden op hun daden. Min of meer overeenkomende geboortejaren of aantallen letters in namen heeft ieder persoon met miljoenen andere mensen op de planeet.

Dat is misschien een reden van fantasten om de overeenkomsten in de legendevorming wat te gaan aandikken. Op zich is het al opvallend hoeveel feitelijke overeenkomsten er zijn, het betekent alleen niets. Toch zijn er mythes ontstaan om het verhaal te versterken: zo zou Lincoln een secretaris met de naam Kennedy hebben gehad, die hem waarschuwde niet naar de plaats te gaan waar hij vermoord zou worden. Kennedy had een Lincoln in dienst, die hetzelfde deed. Dit is een legende (die een beetje lijkt op de waarschuwing die Julius Caesar kreeg vlak voor zijn moord).

Verder zou Booth Lincoln in een theater gedood hebben, en daarna gevlucht zijn naar een opslagruimte (‘warehouse’). Oswald zou Kennedy hebben gedood vanuit een opslagruimte, en naar een theater gevlucht zijn. Dit is slechts met heel veel korreltjes zout waar te noemen. Wat dan weer wél opvallend is, is dat het Ford’s Theatre na de moord op Kennedy werd omgebouwd tot een ‘warehouse’. Zou er dan toch een boodschap in al deze overeenkomsten zitten?

30 april. Vietnam viert 40ste verjaardag verovering Saigon

Poster van een Noord-Vietnamese film uit 1972, waarin familieleden van elkaar gescheiden raken door de 17e breedtegraad, die in de oorlog de grens tussen Noord- en Zuid-Vietnam vormde

In de Vietnamese hoofdstad Saigon is vandaag gevierd dat een van de grootste gewapende conflicten na de Tweede Wereldoorlog vandaag precies veertig jaar geleden ten einde kwam. De strijdkrachten van de communistische Volksrepubliek Vietnam, en hun zuidelijke bondgenoten die bekend zijn onder de naam Viet Cong, veroverden de Zuid-Vietnamese hoofdstad Saigon, tegenwoordig Ho Chi Minh Stad, op 30 april 1975. Een dag eerder waren de laatste Amerikanen vertrokken, en de twee laatste Amerikaanse soldaten gesneuveld bij zware artilleriebeschietingen door ‘het noorden’.

De Amerikanen hadden zich vanaf  1965 actief bemoeid met het conflict, dat al sinds de jaren ’50 woedde. De communisten waren in opmars in Zuidoost-Azië, en in de VS had de zogeheten domino-theorie veel aanhangers, die de verwachting inhield dat de achtereenvolgende communistische revoluties in verschillende landen sinds de Russische Revolutie van 1917 een halt moesten worden toegeroepen, omdat anders de hele wereld stukje bij beetje communistisch zou worden. Ze kozen het conflict in voormalig Frans-Indochina uit, dat een dekolonisatieconflict was, om de communistische opmars een halt toe te roepen.

De uitkomst van de Amerikaanse poging om de communisten uit Vietnam te verdrijven is bekend: tien jaar oorlog in Vietnam, Laos en Cambodja liep uit op een smadelijke Amerikaanse nederlaag, waarbij honderdduizenden soldaten van alle strijdende partijen sneuvelden (60.000 Amerikanen), en evenzoveel burgerslachtoffers vielen. Vietnam had in totaal twintig jaar oorlog gezien, en het is niet verwonderlijk dat de Val van Saigon vandaag groots gevierd wordt: ten eerste was er eindelijk vrede in het land dat nog steeds officieel communistisch is, en ten tweede hadden de Noord-Vietnamezen en de Viet Cong, met Chinese hulp, de oppermachtig geachte Amerikanen met de staart tussen de benen het land uit gebonjourd.

In het westen roept de oorlog alleen maar nare herinneringen op, gevoed door films als Apocalypse Now, Full Metal Jacket, en de televisieserie Tour of Duty. We zien de oorlog eigenlijk nog steeds alleen door Amerikaanse ogen, en horen daarbij Amerikaanse of Engelse muziek uit die tijd, van bands als The Doors, Creedence Clearwater Revival en de Rolling Stones. Ik kan me niet voorstellen dat er in Vietnam alleen maar met trots en plezier wordt teruggedacht aan de oorlog, net zo min als in de VS, maar de Vietnamezen hebben in ieder geval hun eigen films en muziek over de oorlog gemaakt, met hun eigen opvattingen daarin verwerkt.

Wat film betreft, en dat is niet zo raar, aangezien filmproducties veelomvattende, openbare evenementen zijn, hebben de Vietnamezen over het algemeen anti-Amerikaanse en procommunistische films van eigen bodem kunnen zien sinds de val van Saigon, en eerder. Amerikaanse films ontwikkelden zich van het patriottische Green Berets met John Wayne uit 1968 tot de hierboven genoemde kritische films, die de gruwelen toonden. In Vietnam keek men naar Girl from Hanoi, over de Amerikaanse bombardementen rond Kerst 1972, naar The Abandoned Field: Free Fire Zone uit 1979, waarin Amerikaanse beschietingen uit een helikopter in schril contrast staan met het leven op het Vietnamese platteland, of Ván bài lật ngửa, een portret van de Noord-Vietnamese spion Phạm Ngọc Thảo die infiltreerde in de Zuid-Vietnamese strijdkrachten.

Wat muziek betreft kregen de Vietnamezen die hierin geïnteresseerd waren een wat completer beeld van de oorlog te horen. Populaire zangers zijn Văn Cao, die het volkslied van de Socialistische Republiek Vietnam componeerde, de folkzanger en componist Lam Phương, en de protestzangers Trịnh Công Sơn, wiens muziek zowel verboden was in Zuid-Vietnam als in de huidige communistische staat Vietnam vanwege zijn antimilitarisme, en Phạm Duy, een van de grootste songwriters van het land, de Vietnamese Bob Dylan, die pas sinds 2005 vrij op de radio te beluisteren is, terwijl hij al sinds de jaren ’40 muziek maakte.

9 april. Bhutan is niet meer slechtste voetballand op aarde

Het nationale voetbalteam van Ghana in de jaren ‘60

Het kleine Himalayastaatje Bhutan, ingeklemd tussen China en India, heeft sinds vandaag een reden om het gevoel te hebben erbij te horen. Het land is ongeveer even groot als Nederland, maar heeft slechts 750.000 inwoners. Ondanks een bewogen geschiedenis, een interessante cultuur en natuurlijk het mooiste landschap te wereld zullen de Bhutanezen niet snel verwachten dat de rest van de wereld veel van ze af weet. Daarbij kwam ook nog eens dat ze op voetbalgebied, een tak van sport waarin kleine landen grootse daden en reputaties kunnen hebben, zoals Nederland, volgens de FIFA jarenlang het slechtst van iedereen waren. Tot vandaag.

De Wereldvoetbalbond presenteerde vandaag de nieuwe ranking van voetballanden, gebaseerd op een aantal van hun meest recente prestaties. Nederland zakte naar de zesde plaats, nog steeds behoorlijk goed als je kijkt naar het inwoneraantal (overigens staan de Belgen nu op de derde plek: niet dat ik het ze niet gun, maar de ranglijst van de FIFA wordt niet altijd even serieus genomen door voetbalkenners). In Bhutan doen ze dat zeker wel, want vandaag verlieten ze eindelijk de laatste plaats. De rode lantaarn is overgedragen aan Anguilla, een eiland in de Caribische zee met 16.000 inwoners. 

Nationale successen in de sport, en dan met name het voetbal, hebben in het verleden bij sommige gelegenheden meer gedaan voor het zelfvertrouwen van een land en zijn inwoners dan honderd parlementariërs, ministers en CEO’s bij elkaar hadden kunnen bereiken. Over Nederland wordt bijvoorbeeld gezegd dat het trauma van de bezetting (en de nederlaag in de finale van 1974!) eindelijk verwerkt was toen Duitsland in 1988 op eigen grond verslagen werd in de halve finale van het EK. Voetbal heeft echter vooral in Afrika veel betekent voor de soms nog jonge en door kolonialisme getekende landen van dat continent.

Zaïre was het eerste land bezuiden de Sahara dat zich kwalificeerde voor een WK. Dat gebeurde in 1974. Helaas was dit geen sportief succes. Een Afrikaans land dat zich al snel na onafhankelijkheid zeer positief presenteerde en een grote boost kreeg door voetbalsucces, hoewel het pas in 2006 voor het eerst aan een WK meedeed, is Ghana.

Ghana werd onafhankelijk van Groot-Brittannië op 6 maart 1957, als eerste Afrikaanse land. President Kwame Nkrumah zag de potentie van voetbal als bron van prestige en stimuleerde het nationale team zeer. Hij wilde dat Afrikanen middels voetbal lieten zien dat ze de rug konden rechten na eeuwen overheersing, en dat lukte. Zijn portret is dan ook nog steeds vaak te zien bij voetbalwedstrijden van de Black Stars

Een opmerkelijke wedstrijd, waarin de Ghanezen ternauwernood een gelijkmaker moesten incasseren van Ferenc Puskas, vond plaats in de zomer van 1960. Het onsterfelijke Real Madrid van de genoemde Puskas, Alfredo di Stefano en andere sterren, kwam op bezoek, en moest zijn uiterste best doen om niet te verliezen van Ghana. In hetzelfde jaar drong president Nkrumah aan op een oefentrip naar Engeland, die resulteerde in twaalf overwinningen en slechts drie nederlagen. En dan te bedenken dat de Ghanezen op blote voeten speelden.

De jonge, trotse republiek had zich aan de wereld laten zien, en leerde het hele continent dat Afrika nergens bang voor hoefde te zijn (behalve dan voor Ghana zelf: de Afrika Cup werd in 1963 en 1965 gewonnen). President Nkrumah wierp zich op als moreel leider van het hele continent, en zijn toespraken over een sterk Afrika, door het panafrikanisme geïnspireerd, lieten Afrikanen in binnen – en buitenland niet onberoerd. Het voetbal had het continent in zekere zin een kickstart gegeven. Helaas kwam hier in de daaropvolgende jaren geen echt vervolg op.

Zou Bhutan met de huidige successen hetzelfde kunnen bereiken voor zichzelf en misschien een land als Nepal? Sri Lanka werd al verslagen in de kwalificatie voor het WK 2018 in Rusland. Volgende week volgt de loting en dan kennen de Bhutanezen de volgende horde op weg naar onsterfelijkheid.

Een speler van Bhutan onder druk gezet in de wedstrijd tegen Sri Lanka

23 december. Joe Cocker overleden

In zijn ranch in Crawford in Colorado, voormalig eigendom van filmster Jane Fonda, is gisteren de Engelse blueszanger Joe Cocker op 70-jarige leeftijd overleden. Cocker stierf aan de gevolgen van longkanker. Zijn rauwe stemgeluid gaf hem een plaats tussen de grootste artiesten van de 20e eeuw, en het was die indrukwekkende stem die hij naar eigen zeggen te danken had aan stevig roken. Uiteindelijk werd dat hem dus fataal.

Joe Cocker werd geboren op 20 mei 1944 in Sheffield. In zijn tienerjaren begon zijn muzikale carrière, maar niet in die mate dat hij ervan kon leven. Cocker werd gasmonteur. In de jaren ’60 speelde hij buiten werktijden in pubs in Sheffield met een band verschillende blues en soulcovers, van artiesten als Chuck Berry en Ray Charles. Zijn loopbaan begon vorm te krijgen toen hij met zijn band in 1963 in het voorprogramma van de opkomende Rolling Stones stond, en een cover uitbracht van ‘I’ll cry instead’ van de Beatles. Covers, die vaak beter zijn dat het origineel, zouden cruciaal zijn voor Joe.

Zijn grote internationale doorbraak beleefde Joe Cocker in 1969. Hij werd gevraagd te spelen op Woodstock, het legendarische driedaagse gratis muziekfestival op de weide van melkboer Max Yasgur in de staat New York. Joe Cocker en The Grease Band openden om 2 uur de derde dag van het festival, zondag 17 augustus. Tijdens dit optreden speelde hij een cover van ‘With a little help from my friends’ van de Beatles. Deze versie, veel ruiger en geëmotioneerder gebracht dan het origineel, werd een grote hit en maakte Joe tot een wereldster. Zelfs het weer was onder de indruk: na zijn optreden lag Woodstock enkele uren stil wegens een onweersbui.

In zijn beginperiode speelde Cocker meerdere mooie covers van Beatles-nummers, die ook op zijn eerste albums terecht kwamen. Naast ‘With a little help form my friends’, zonder twijfel het lied waar hij het meest aan herinnerd zal worden, coverde hij ook ‘Something’ en ‘She came in through the bathroom window’.  In zijn latere carrière waren covers van bijvoorbeeld ‘The Letter’ van de Box Tops, ‘You are so beautiful’ van Billy Preston, en ‘Summer in the city’ van The Lovin’ Spoonful wereldwijd  een succes.

Cocker trad op voor koningin Elizabeth in 2002 en voor president Bush in 1989. Voor ‘Up where we belong’, een duet met Jennifer Warnes, dat op de soundtrack van de film An Officer and a Gentleman te vinden was, won Joe Cocker in 1982 een Grammy. De working class hero, die in zijn jonge jaren grote problemen had gehad met drank- en drugsgebruik en meerdere keren met de politie in aanraking was gekomen, had zich bij de muzikale elite gevoegd. Maar misschien beleefde hij zijn grootste triomf al in 1969 op het podium van Woodstock.

Klik hier voor de beelden