hij

Het is angstaanjagend om iemand in je leven te laten en hem de donkerste hoeken van je persoonlijkheid, de redenen waarom je huilt en waarom hij je zo gelukkig maakt te laten zien.

Het is echt angstaanjagend, omdat er een kans is dat hij wegrent met je geheimen en ze nooit meer teruggeeft.

Ik wil bij je zijn.
Ik wil iedere millimeter van je gezicht, je mooie gezicht, bestuderen.
Ik wil alle sproetjes tellen die op je kaken liggen te rusten.
Ik wil uren aan een stuk luisteren naar je stem.
Ik wil in je armen liggen en je aanwezigheid kunnen voelen.
Ik wil in je ogen kijken
ze doorgronden
erin verdrinken
en je zeggen dat er geen enkel moment meer is dat jij mijn gedachten verlaat.
Dat jij degene bent die mij keer op keer doet lachen.
dat ik veel gelukkiger ben sinds ik je ken.
En dat ik zo, zo enorm veel van je hou.

Want jij bent het en je zal het altijd blijven.

Comparison of the Germanic Languages

Pronouns: I, Me, You, He, She, We, They

German: Ich, Mir, Du/Sie, Er, Sie, Wir, Sie
Low Saxon: Ekj, Mie, Jie, Hee, See, Wie, See
Old English: Ic, Mé, Ðu/Þu, Hé, Héo, Wé, Hie
Dutch: Ik, Mij, Je/U, Hij, Ze, Wij, Ze
Afrikaans: Ek, Jy/U, Hy, Sy, Ons, Hulle
Frisian: Ik, My, Do, Hy, It, Wy, Sy
Scots: Ah, Me, Ye, He, She, We, They
Faroese: Eg/Jeg, Meg, Tú, Hann, Hon, Vær, Tey
Old Norse: Ek, Mik, Þú, Han, Hon, Vér, Þau
Danish: Jeg, Mig, Du, Han, Hun, Vi, De
Norwegian: Jeg, Meg, Du, Han, Hun, Vi, de
Swedish: Jag, Mig, Du, Han, Hon, Vi, De
Icelandic: Ég, Mig, Þú, Hann, Hún, Við, Þau


Mountain

German: Berg
Low Saxon: Boajch
Old English: Beorg
Dutch: Berg
Afrikaans: Berg
Frisian: Berch
Scots: Montan
Faroese: Fjoll
Old Norse: Fell/Fjall
Danish: Bjerg
Norwegian: Fjell
Swedish: Berg/Fjäll
Icelandic: Fjall


Bread

German: Brot
Low Saxon: Broot
Old English: Bread
Dutch: Brood
Afrikaans: Brood
Frisian: Bole/Brea
Scots: Brede
Faroese: Breyð
Old Norse: Brauð
Danish: Brød
Norwegian: Brød
Swedish: Bröd
Icelandic: Brauð


To Be

German: Sein
Low Saxon: Sennen
Old English: Béon
Dutch: Zijn
Afrikaans: Wees
Frisian: Weze
Scots: Be
Faroese: Vera
Old Norse: Vera
Danish: Være
Norwegian: Være
Swedish: Vara
Icelandic: Vera


To Read

German: Lesen
Low Saxon: Läsen
Old English: Leornian
Dutch: Lezen
Afrikaans: Lees
Frisian: Leze
Scots: Rede/Reed
Faroese: Lesa
Old Norse: (Could not be found)
Danish: Læse
Norwegian: Lese
Swedish: Läsa
Icelandic: Lesa


Good

German: Gut
Low Saxon: Goot
Old English: Gód
Dutch: Goed
Afrikaans: Goed
Frisian: Goed
Scots: Good/Gud
Faroese: Góður
Old Norse: Goð
Danish: God
Norwegian: God
Swedish: God
Icelandic: Góður


Bad

German: Schlecht
Low Saxon: Schlajcht
Old English: Gódléas
Dutch: Slecht
Afrikaans: Slegte
Frisian: Min
Scots: Bad
Faroese: Illur/Ringur
Old Norse: Illr/Vándr
Danish: Dårlig
Norwegian: Dårlig/Slett
Swedish: Illa/Dålig
Icelandic: Illur/ Vondur