hersenspinseltje

Ik slaap te veel of bijna niet.
Lach de hele dag door of kan niet stoppen met huilen.
Ik geef bakken vol liefde weg of sluit me van alles en iedereen af.
Zo is het altijd al geweest.
Van het ene uiterste naar het andere.
Zwart of wit.
Geen grijze zone.

Ik ben al lang niet meer bang voor monsters onder mijn bed. Jarenlang heb ik elke avond gekeken, daar verschuilen er zich geen. Nu ben ik bang voor een ander soort monsters. Het soort dat me steeds opnieuw mijn bed insleurt. Het is diezelfde soort die me in mijn slaap teistert en ervoor zorgt dat ik in het midden van de nacht wakker schiet. Voorhoofd vol angstzweet. Ik wil niet meer slapen, maar ik ben zó moe.
Als het kon dan plukte ik alle sterren uit de hemel en plantte ze in je ogen. Langzaamaan zouden er terug pretlichtjes in je ogen te zien zijn. De lichtjes die er al een lange tijd uit verdwenen zijn. De warmte van de zon drapeer ik als een deken over je volledige lichaam, zodat het op elk moment van de dag voelt alsof je een warme knuffel krijgt. Dat verdien je. De maan maak ik met een koordje vast aan je kamerraam, ter herinnering dat er zelfs tijdens de donkerste nachten ergens een lichtpuntje gevonden kan worden. Ik hoop dat je geluk vindt in je leven, dat wordt stilletjesaan wel eens tijd.

Alles draait, maar ik sta stil. Ik geraak niet vooruit, maar alles beweegt. Ik ben de controle al een hele tijd geleden kwijtgeraakt. Waar ik ze moet beginnen zoeken, weet ik niet.

Het voelt net alsof ik een auto ben zonder bestuurder. Ik bots overal tegen, want er is niets of niemand die me tegenhoudt. Vol blutsen en krassen ga ik door tot ik niet meer kan. Mijn benzine raakt stilletjesaan op.

Langzaam pruttel ik vooruit, todat ik tegen een harde muur bots. Nu raak ik geen meter meer vooruit. Het wrak wordt weer voor een poosje opgelapt.Vroem vroem, weg ben ik. Daarna begint het weer opnieuw, totdat het oplappen niet meer lukt.