de evenaar

Platform

Ze belden haar op de ochtend van 21 oktober. Ik was aan het werk, om 10:16 begon mijn telefoon te trillen. Ik drukte weg. “NEEM OP!” stuurde ze, waarna ze opnieuw belde. “Wat is er?” vroeg ik. “Ik mag mee,” zei ze. Ik liet mijn telefoon niet vallen, ik zakte niet door mijn knieën. Het had gekund, ik had het kunnen doen. In mijn oor vertelde ze over haar beoordeling, over hoe blij ze waren dat ze haar in de selectie konden opnemen, dat ze een aanwinst zou zijn op de rest van het team. Ik mompelde wat, zo nu en dan, maar mijn hart sloeg in mijn keel en koud zweet gleed over mijn rug. Iemand kwam het trappenhuis in, zag mijn gezicht en draaide zich terug. “Liefje, ik ben heel blij voor je, echt,” zei ik. “Er is nog niets zeker hoor!” zei ze. Ik voelde me alsof ik even weer boven water kwam. “Nee, maar laten we hopen dat het zeker wel gebeurt,” zei ik. Terug naar de bodem.

Er is een punt waarop relatief onbekenden elkaar vertellen over hun dromen en ambities. De eerste keer dat ze het ter sprake bracht had ik zitten stuiteren van enthousiasme. Wellicht was het mijn eigen gebrek aan lef op het gebied van carrière en werk maar iemand met een helder doel voor ogen maakte steevast diepe indruk. “Wat voor soort werk zou je als astronaut willen doen?” vroeg ik. Het was een vraag waarvan ik nauwelijks wist welke antwoorden er zouden kunnen bestaan en ik verwachtte geen concreet antwoord. “Kolonisatie,” zei ze. Geen spoor van twijfel. Ze was bijna klaar met haar studie, ze wist waar ze moest solliciteren, aan welke eerste eisen ze moest voldoen. Ze legde alles voor me op tafel, elke stap, alles wat ze de afgelopen jaren ervoor had gedaan. In mijn hoofd tolde het woord ‘kolonisatie’ nog rond, zonder iets te raken.

Toen ik die dag in oktober thuis kwam, zaten haar ouders al op de bank. Ze hadden alledrie gehuild. Ik dacht aan de foto’s die ik van haar had gezien. Feestjes waarbij ze verkleed ging als raket en astronaut, vakanties naar de steden waar de lanceringen werden gedaan, haar kamer vol opengeslagen boeken en losse vellen vol berekeningen. Ik omhelsde haar moeder, gaf haar vader een hand en kuste haar op haar voorhoofd. “Ik ben zo trots op je,” zei ik, en ik plukte de fles champagne die ik uit de koelkast van de faculteit had meegenomen uit mijn tas. “Dit heb je verdiend.”

Tijdens de verhuizing sneuvelden de whiskyglazen die ik van mijn ouders had gekregen. Het was hun laatste cadeau aan me geweest. Ze vroeg of ik in orde was en ik veegde de scherven bij elkaar en knikte. Dit alles voelde ontzettend belangrijk en hoewel ik ons huis niet echt had willen verlaten, was er voor haar opleiding geen andere optie.

Toen ze een half jaar bezig was met haar training, kwam een journalist ons opzoeken. Zij kreeg de meeste vragen, inhoudelijke vragen, over waarom ze mee wilde doen aan de missie, wat ze in de loop van de tijd wilde bereiken, hoe ze zich hiernaartoe had gewerkt. Tegen het einde keerde de jongeman zich naar mij toe. Hij moet interviews gelezen hebben met de echtgenotes van de Apollo-astronauten, de knipoog was hoorbaar in zijn stem. “Wordt het voor u niet moeilijk om hier achter te blijven?” Ik wilde roepen dat ik ruimtevaart haatte en dat ik niet begreep hoe ze mensen wel konden brengen maar niet konden halen, ik wilde zeggen dat je nooit denkt dat iets gaat eindigen wanneer je eraan begint en al helemaal niet dat het zo gaat eindigen. Ik wilde de ruimte vervloeken en alle wetenschappers die hadden bedacht dat onze eigen planeet niet meer genoeg voor ons was. Ik slikte het weg, het zuur bleef hangen in mijn maag. “Dat wordt heel moeilijk, absoluut. Ik heb echter altijd geweten dat dit haar ambitie was en heb nooit getwijfeld dat ze het zou bereiken.” Ze porde me in mijn zij. “Ik ben nog niet weg hoor!”

Er was minder lichtvervuiling boven ons dak en ik sliep steeds minder. Soms stond ik in de tuin te zoeken naar een ster die iets feller straalde dan de rest, dan stelde ik me voor hoe ik hier op mijn veertigste, vijftigste, zestigste zou staan kijken naar de hemel, op zoek naar iets van herkenning. Wanneer ik terug in bed kroop, rolde ze dichter naar me toe en mompelde ze iets wat ik niet kon verstaan.

Naarmate er meer kandidaten afvielen en haar opleiding verder vorderde, kroop er meer stilte tussen ons in. Meer dan eens bekeek ik haar van top tot teen en greep een koude angst zich in me vast. Dan moest ik naar adem happen om het idee dat ik haar zou gaan verliezen. Ooit, tijdens die eerste ontmoeting, had ze een stip op de hemel getekend die steeds groter was geworden, tot het uiteindelijk alles was waar ik naar kon kijken. Vanuit mijn ooghoek zag ik die oranje bol soms plots opdoemen, bij voorkeur op momenten dat we door onze toegenomen stilte elkaar toch al minder leken te begrijpen. Mijn nachten werden zo beroerd dat ik slechts enkele tientallen minuten slaap vond per nacht, voor de rest lag ik te staren naar de planeet die dreigend boven ons was komen te hangen.

“Wil je dat ik ermee stop?” vroeg ze bij het ontbijt op een zondagochtend. Ik was uit de keuken teruggekomen met twee mokken koffie. Ik keek naar haar gezicht. Ze deed haar best om het neutraal te houden maar ze was zo dichtbij. Grote delen van de raket waren in de laatste fase van opbouw, haar opleiding zat in de laatste, cruciale fase. We naderden een punt waarop er niet meer teruggekeerd kon worden, ik had het vermoeden dat ze dat haar hadden verteld. Ik wilde dat ze zou stoppen. Ik wilde dat ze een baan vond op een plek minder dicht bij de evenaar, dat we al onze verjaardagen en overwinningen samen zouden vieren, elke dag elkaar aan konden raken en langzaam samen oud en verfomfaaid worden. Ik wilde zo graag dat ze bleef dat ik al mijn eigen dromen en kansen ervoor zou willen verliezen. Ik kon die van haar niet ontnemen. Ik zette de koffie op tafel, knielde voor haar neer en legde mijn handen op haar knieën. “Ik wil dat je gaat.”

Ze vertrok op 5 mei. Ik was uitgenodigd als VIP maar had geen behoefte aan de mensen die ik daar zou treffen. Zenuwachtige partners, grijnzende communicatiemedewerkers, ambtenaren, wellicht zelfs de president. Nadat ik had gezien dat ze in de raket stapte, was ik met de auto naar een strand aan de andere kant van de baai gereden. Het was niet druk, enkele liefhebbers met camera’s, wat mensen die net als ik dit historische moment liever in betrekkelijke stilte wilden doormaken. Om 03:00 ontbrandden de motoren van de eerste trap. Het donderende geraas golfde over het water, een vlaag warmere lucht leek me in mijn gezicht te raken. Ik volgde de raket en haar felle vlam tot het slechts een puntje in de verte leek. De tranen stroomden over mijn wangen, ik trilde van top tot teen. Ik wist dat het een leugen was en toch fluisterde ik zachtjes “tot ziens” tegen de hemel.

Soms moet je verdwalen, om de juiste weg te vinden. Verdrinken in verhalen, om opnieuw adem te halen.  Alles laten varen, even van de kaart.  Zodat zelfs de evenaar jou niet evenaart.