bodypositivism

To chub, or not to chub?

Ik ben iemand die - zoals Eva Mouton het ooit eloquent verwoordde - last heeft van omgekeerde anorexia. Als mijn leeftijdsgenoten in de spiegel kijken, knijpen ze in hun zogenaamde vetrolletjes, mekkeren ze dat ze dringend op dieet moeten en plaatsen ze ‘s anderendaags al een groene smoothie met Earlybird filter op Instagram. Ze doen van #healthy #instafit #instafood en #fitspo. 

En ik? Ik kijk in de spiegel, maak een kleine pirouette en denk bij mezelf: “Eigenlijk valt het allemaal nog wel mee.” Ik hoor de meerderheid al protesteren: “Maar Eline, het vàlt toch allemaal ook gewoon mee?” “Jij bent toch niet dik?” Nee, maar ik kamp wél met overgewicht. Geen verbloeming, geen eufemismes en geen onzekerheid: gewoon een losstaand feit. Ik weeg 10 kilo teveel. En omdat ik me niet bij het groepje angstige vrouwen wil scharen die hun gewicht niet durven onthullen: ik weeg tachtig terwijl ik er zeventig zou moeten wegen. Dit terwijl de meeste(n) van mijn leeftijdsgenoten schommelen rond de zestig kilo.

Op bepaalde dagen lijkt het alsof mensen het niet zien. Ik ga door het leven als een gewoon meisje, met gewone kleren uit gewone winkels en op het werk vragen mijn collega’s of ik toevallig niet afgevallen ben. Het zijn van die dagen waarin een toevallig schaduwspel ervoor zorgt dat mijn cellulitis plots niet meer duidelijk te zien is en waar een jongen me tegenhoudt op straat om me te melden dat ik een stralende glimlach heb. Dagen dat ik bij de plus-size afdeling van Forever 21 in de rekken snuister op zoek naar een nieuwe uitdossing en een verkoopster me bij de arm neemt, en zegt: “Meisje, jij hoeft echt niet bij de grote maten te kijken hoor.” (True story!)

Maar er zijn ook andere dagen. Dagen waarop onbeschofte manspersonen me een Cola-light in de handen drukken om te melden dat ik het “wel nodig heb” (true story too!), waarin ik wel acht jeansbroeken mee in de paskamer van de H&M neem waarvan er geen enkele past en waar ik mijn ronde billen zelfs niet halverwege de broekspijp krijg opgetrokken en vermoeid (en oncharmant zwetend) tegen de muren van het pashokje moet uitpuffen. Plots valt het op dat àl mijn vriendinnen slanker zijn, dat ik mogelijk meer kans heb op allerlei enge ziektes zoals kanker, diabetes of gewoon onvruchtbaarheid (niet dat ik meteen een baby uit mezelf wil duwen, but you get my point). Het zijn dagen waarop ik naar de Standaard Boekhandel hol om Gwyneth’s-bewust-koken-met-vijftig-soorten-boekweitpannekoeken-kookboek haal en een impulsief abonnement neem op Vinyasa-poweryoga.

Het is een nooit-eindigend-proces. neem nu dat ik op een gegeven moment een negatieve impuls in mijn gezicht gewreven krijg. Ik krijg een belediging op straat van een volslagen vreemde of ik zie dat ik drie kilo ben bijgekomen. Plots wordt ik een Antwerpse jonge versie van Sonja Kimpen: ik meld aan iedereen die het horen wil dat ik wil afvallen en begin calorieën te tellen als een gek. Vaak via een calorieënteller-app, die me er uur in, uur uit doet over verbazen hoeveel calorieën er in een banaan of een bord spaghetti zitten (“WA? 130? COME ON! I NEED FRUITS IN MY OATMEAL”) en ik neem mezelf voor om overmatig te gaan bewegen. Maar voor beweging is voorbereiding nodig. Ik ben namelijk niet (!) in het bezit van fatsoenlijke sportkledij of sportschoenen, want ik deed mijn geld het afgelopen jaar liever op aan macarons van Ladurée of museumbezoekjes. Het is tijdens die voorbereidingen dat ik door de mand val: onbewust stel ik het dàn al uit. Want er is geen mens die sport méér haat dan Eline Van Hooydonck.

Ik proest mijn longen er al uit als ik van de kotkeuken naar mijn kamer loop (één verdieping), als een kotgenote vraagt om samen naar de Singel te fietsen voor een toneelstuk gaat er een alarmbelletje af in mijn hoofd: ik ga ze niet kunnen bijhouden, ik zal naar adem snakken zijn bij élk verkeerslicht en ik zal hoogstwaarschijnlijk sterven van vermoeidheid als ik eenmaal arriveer. Alles speelt in mijn nadeel als ik wil bewegen: mijn froufrou ligt in de weg en ik zie er extra lelijk uit met een lelijke sporthaarband, mijn lijf weet niet wat het meemaakt en gaat in volledige “fuck-deze-shit-nee-wij-gaan-in-fucking-rust-blijven”-stand en ik weet in godsnaam niet waar ik mijn sleutels, water en/of iPhone moet steken als ik beweeg (in de broek? in de decolleté? in mijn haar?) Kortom: ik hààt het.

Dus, bij voorbaat geef ik het vaak al op en beland weer in de eerste fase en ben ik (met veel plezier overigens) weer het vrolijke chubby meisje met een nakende carrièreswitch van falende studente naar overgewicht-fashion-goeroe.