bleef

Ik keek naar al de spelende kindjes en bedacht me dat ik ooit één van hen was. Zo vrolijk, huppelend, zorgeloos, alles was nog zo simpel. Ik kan me echt niet voorstellen dat sommigen van hen net als ons gaan worden, verdrinkend in verdriet. Ik wou dat het voor altijd zo bleef voor iedereen, gewoon een zorgeloos, vrolijk, simpel bestaan.

Ik bleef springen in het water, terwijl ik wist dat ik niet kon zwemmen. Keer op keer.

En elke keer als ik verdronk, kwam hij. Ik wist dat hij mij elke keer zou redden. Elke keer weer.

Maar ik leer nu om te zwemmen. Nog beter zelfs, ik probeer niet meer te springen.

—  Zonder hem, kan ik mijzelf ook redden.
12 mei 2015

Ik stamp hard met mijn blote voeten op de harde tegels buiten. Mijn hoofd opgeheven naar de lucht. Schreeuwend. In de hoop dat er dikke regendruppels naar beneden kwamen zetten met harde onweer. De enige druppels die er kwamen waren die uit mijn ogen.
De zon bleef vrolijk schijnen.

Boos op de wereld. Boos op mezelf. Boos op de mensen om me heen. Boos op de mensen die alles hebben verpest. Voor zichzelf. Voor mij. Gewoon even boos op alles.

Ik stamp nogmaals hard met mijn blote voeten op de harde tegels buiten. Mijn hoofd heb ik laten zakken en ik huil zoals een kleine baby dat doet. Niemand die het merkt. Niemand die het ziet. Niemand die het hoort.

post-Dier

“Bij nader inzien wil ik eigenlijk niets drinken,” zei ze, toen ik met twee koppen thee naar haar toe liep. Ze stond op van haar stoel en trok haar jas aan. “Kom, dan gaan we een stukje lopen,” zei ze. Ik verborg mijn ergernis, zette de koppen thee op het aanrecht en haastte me in mijn jas. Ze liep voor me uit naar de lift. In de lift bekeek ze zichzelf in de spiegel. Ik keek naar haar rug en de reflectie van haar gezicht. Af en toe schoot haar blik naar mij. Een twinkeling lag in haar ogen, alsof ze me wilde uitdagen haar weer te zoenen. Ik duwde mijn handen iets dieper in mijn zakken en bleef naar haar kijken.

“Je bent anders dan ik me had voorgesteld, maar dat snap je zelf ook wel,” zei ze toen we buiten stonden. De wind was gaan liggen, de kou was bijna weg. Langzaam ritste ik mijn jas iets verder open. Ik zweeg omdat ik wilde dat ze meer zou zeggen. “Ik bedoel, je bent in je handelen enorm direct. Je verlangt iets en je grijpt het. En toch heb ik het idee dat ik met een extensie van jou te maken heb. Een product van je fantasie. Je weet precies wat je tegen mensen moet zeggen, maar niet hoe je met ze moet praten.” Ik was verloren, onderdrukte wat gestamel, klemde mijn kaken op elkaar en deed alsof ik haar negeerde. Haar hand gleed even over mijn schouder.

“Bijt het dier nu in jou?” vroeg ze.

Avondlicht

Er waren dagen dat ik me
’s avonds naar het raam verplaatste,
en het allerlaatste licht
scheen een kwartier in mijn gezicht.
Soms bleef ik dan zitten,
tot de ochtend me kwam halen
en de allereerste stralen
van de zon me deden denken
aan dat wat ik had gemist:
het was nooit veel, wat uren
slaap, een halfvoltooid gesprek,
en op den duur vielen de zaken
ook gewoon weer op hun plek.

Ik bleef dezelfde vergissing maken in de hoop dat je me toch zou gaan liefhebben op dezelfde manier als dat ik jou lief had.
—  dichtdichter
Elk einde is plotseling

Ze zat op de rand van zijn bed, de haarborstel in haar hand. Naast haar lag haar stapeltje kleding, keurig opgevouwen. Hij had het net naar haar gebracht, gisteravond had ze niet eens gezien dat hij met zoveel zorg haar kleding apart had gelegd. Zijn overhemd en broek lagen gewoon nog op de vloer. Hij zat achter haar, zijn armen lagen losjes rond haar middel en met zijn wang raakte hij de blote huid van haar rug. Ze glimlachte en aaide even over zijn been. “Ik wil ermee stoppen,” zei hij. Er gebeurden een paar dingen tegelijk. Zijn armen gleden weg van haar middel, zijn wang verdween van haar rug, ze was halverwege een nieuwe borstelbeweging geweest, maar haar hand bleef hangen. “Wat?” zei ze. Hij begon zijn zin te herhalen, ze draaide zich om en onderbrak hem. “Ik hoorde je wel, maar wat zeg je nu? Je wil ermee stoppen?” Hij was tegen de muur gaan zitten, zijn knieën tegen zijn borst getrokken, hij ontweek haar blik niet. Ze had een flintertje hoop dat het een ziek grapje was, dat hij zometeen giechelend van plezier om zou vallen, dat het niet echt was. Zijn gezicht vertoonde geen twijfel, de enige lach die op zijn gezicht verscheen was klein en vol medeleven, zonder dat er spoor van spijt te bekennen was. Meer nog dan wat hij had gezegd, confronteerde die blik haar met het einde, en hoe het haar overviel.

Hij knikte. “Ik heb nagedacht over ons, over de moeite die ik voor je doe, alle kleine abnormale dingen die nog voor niemand anders heb gedaan. De tijd die ik voor je reserveer, maar ook de openheid die ik met je probeer te houden, het gebrek aan grenzen, muren, toneelspel.” Hij ademde diep in en uit. “Met die openheid komt risico. Ik ben kwetsbaar, eenvoudig te raken met kleine dingen, plots bang je te verliezen, onzeker over wie ik ben.” Hij keek haar lang aan. “Ik vroeg me af of je die angst waard was, of je zo’n invloed moest hebben. Uiteindelijk viel het me op dat mijn onzekerheid je niet genoeg deed om het te willen voorkomen, als ik het wilde bespreken ontweek je de discussie door te zeggen dat je je er slecht door voelde.” Ze keek naar haar handen en liet de afgelopen maanden passeren. Haar hart bonsde luid in haar keel, klam zweet liep over haar lichaam. Had ze genoeg energie in hem gestoken? Had ze naar hem geluisterd, zijn kwetsbaarheden gezien? Ze wist het niet meer, de afgelopen maanden waren hectisch geweest, met een verbroken vriendschap, onzekerheid op haar werk en de frustraties van een nieuw huis vinden. Hij was er geweest, had haar aangehoord, ondersteund. “Het is niet leuk meer,” zei hij. “Er is niets leuks meer aan.” 

Ze keek naar zijn gezicht, voelde de machteloosheid groeien. “Ik wilde dat er iets was dat we konden doen,” fluisterde ze. Hij stond op van het bed, plukte zijn overhemd van de grond en begon het dicht te knopen. Voor het eerst brak er iets in het kalme masker, zijn stem trilde, zijn ogen keken langs haar heen. “Ik ook,” zei hij.

Expres

Ze leek nooit iets expres te doen. Of het nu de ondeugende blik was die soms in haar ogen vlamde, of het kippenvel dat ze me gaf wanneer ze mijn hand beetpakte. Of ze nu tegen mijn schouder in slaap viel of met volle mond iets wilde vertellen, alles leek ongeknutseld, puur. Niets leek verzonnen of geacteerd, en alles voelde echt. Alsof ik naar haar keek zonder dat ze zich wilde verstoppen en het gevolg was dat ik me niet meer kon verstoppen, dat ik geen rol kon spelen, niet weg kon duiken.

Ik was nooit heel erg dol geweest op wie ik was zonder de lagen verf en illusie. Misschien dat het daarom stopte, omdat ik niet echt kon begrijpen wat ze in me bleef zien, omdat de angst voor een langzame afwijzing zo groot werd dat ik vertrok om ervan af te zijn. Misschien was ik ook gewoon bang, want als ze dit alles kon doen zonder er moeite voor te nemen, wat kon ze dan aanrichten als ze ontzettend haar best zou doen?

Stutten, die ook alweer gaan rotten,
verhindren ’t huis om in te storten.

Klimop drong door de ramen heen
zodat het in november scheen

of in die wankele warande
nog mensen zorgden voor hun planten.

Maar dat bedrieglijk groenfestijn
is nu van een verschrompeld bruin,

terwijl van buiten kale ranken
het huis omknellen en verankren.

Tot aan dit wankel evenwicht
een kat, een zwerver, ik wellicht

een einde maakt en mét de stenen
straks in de haven is verdwenen.

Een lauwe vloedgolf geeft nog aan:
hier heeft een deftig huis gestaan

waar eens bepruikte kooplui zagen
hoe in de wemelende haven

het lager volk de winst opbracht
die bijdroeg tot hun kalm gezag.

Alleen het water bleef in leven,
en ’t huis. Maar dat nog slechts voor even.

Jan Eijkelboom, Wijnhaven