afspreken

Getuigenissen

I.

“We hebben echt heel erg lang gepraat, die middag. Ik kan me niet herinneren dat we ooit zo lang hebben gepraat.” Hij is de eerste die ik ben tegengekomen, hij is geen onbekende voor me. Hij haalt zijn hand even door zijn haar, kijkt naar een punt achter de camera, achter mij. “Misschien was het omdat hij zoveel kalmer leek. Met hem afspreken was altijd vermoeiend. Soms bleef hij praten, andere keren kreeg je er niets uit. Hij kon zo cynisch en grimmig zijn, zo donker. Ik had altijd even tijd nodig om van hem te herstellen. Dat klinkt akelig, toch?” Hij kijkt vragend naar mij. Ik spoel een stukje door. Ik hoef mijn eigen stem niet te horen, ik weet toch wat ik zeg.

“Nou ja, we hebben het echt over alles gehad. Over de reizen die hij wilde maken, over verhuizen, over de boeken die we lazen, over dingen die we hadden meegemaakt de afgelopen maanden. Halverwege viel het me op dat de donkere kringen onder zijn ogen minder leken, toen hadden we het ineens over zijn nieuwe slaappatroon en hoe hij dacht dat het kwam doordat hij geen vlees meer at. Daar had hij op zijn telefoon zelfs een paar wetenschappelijke artikelen voor opgezocht.” Hij schudt zijn hoofd. Hij kijkt niet vaak in de lens, zijn blik dwaalt rond door zijn eigen huis, blijft nu en dan op mij rusten maar oogcontact met de camera vindt nauwelijks plaats. “Ik heb die dag echt honderden keren opnieuw beleefd. Elke keer bedenk ik weer nieuwe dingen die een hint kunnen zijn. Ik denk dat je wel weet wat ik bedoel.” Ik weet dat ik op dat moment even slik, een paar keer met mijn ogen knipper. Zijn blik is bezorgd, hij buigt zich iets naar me toe. Opnieuw spoel ik door, tot hij weer achterover leunt en de zorg van zijn gezicht verdwijnt.

“Ik denk niet dat er echt dingen zijn waaraan ik het heb kunnen zien. Misschien het afscheid, toen ik met hem meeliep naar de poortjes. Hij met zijn ov-kaart al in zijn hand, iets nerveuzer dan daarnet. Hij keek niet eens op de borden, liep gewoon naar de poortjes toe. Een meter ervandaan draaide hij zich om, namen we afscheid met een omhelzing. Hij zei nog dat ik goed op mezelf moest letten, gaf me zo’n half glimlachje en toen was hij weg, richting een trein.”

Hij zucht diep. Zijn laatste woorden heeft hij traag uitgesproken, op zijn gezicht denk ik de inspanning van het herinneren te kunnen zien. “Weet je waar ik echt lang mee zat? Echt maanden lang? Dat ik dacht dat we het soort vriendschap hadden waarin hij zich veilig genoeg voelde om zich niet meer te sluiten, en dat ik dat blijkbaar verkeerd had gezien.” Hij bijt op zijn onderlip, kijkt uit het raam. Ik stop het afspelen. Twee seconden later vraagt hij of we kunnen stoppen.

II.

“Hij wilde weer gaan studeren, wist je dat?” Ze schatert het uit, klapt in haar handen van plezier. “Echt, ik wist niet wat ik hoorde. Hij had al zes jaar geen collegezaal meer van binnen gezien, had geen idee hoe een studie voltooien in zijn werk ging maar hij was het echt van plan. Hij wist nog niet wat maar hij had foldertjes van de universiteiten op zijn bureau liggen en had zich aangemeld voor open dagen. Het kwam zo uit het niets, allemaal, hij leek tevreden met hoe zijn werk ging, hoeveel vrijheid hij wist te vinden tussen de onregelmatige diensten door. Ik dacht dat hij dat nog wel even zou blijven doen.” Haar glimlach is aanstekelijk, zelfs nu ik niet meer met haar in dezelfde ruimte ben. Het is niet moeilijk om te vinden wat hij aan het oppervlak in haar zag. Ze praat eenvoudig, schuwt de camera nauwelijks en straalt een vurige energie uit. Het is aantrekkelijk, ik vraag me af hoe ze onder het oppervlakte is, wat hij nog meer heeft gezien.

“Hij was zo’n vreemde combinatie van breekbaar en sterk, weet je wat ik bedoel? In het begin kon hij geen stiltes tussen ons laten hangen, daar werd hij onrustig van. Telkens als we even niets te zeggen hadden liet hij vallen dat ik mooi was, of leuk, of bijzonder. Ik werd er op een gegeven moment zelf onrustig van, ik had het gevoel dat ik niet genoeg bood tegenover die eindeloze uitingen van affectie. Het duurde even voordat dat afnam, voordat hij rustiger werd maar hij kon af en toe nog steeds doordraaien, in zichzelf keren en overal spoken zien. Hij zei vaak dat hij dacht dat hij niet goed genoeg voor me was, dat ik beter kon vinden. Ik zei dan altijd dat het me erom ging of hij goed genoeg wilde zijn en ik kon zien dat hij dat wilde.” Een kleine lach krult om haar lippen, anders dan haar glimlach. Ze knijpt haar ogen een beetje samen. “ Er was zoveel wat ik aan hem waardeerde. Zijn stem als hij zong, hoe gedreven hij kon zijn wanneer hij iets wilde creëren, zijn nieuwsgierigheid, hoe hij me aan kon raken. Er waren zoveel details waar ik van genoot, zoveel minuscule kenmerken waarmee hij me kon prikkelen. Als hij merkte dat ik me niet goed voelde, leek hij altijd te weten wat hij moest doen of zeggen. Misschien de laatste paar weken wat minder maar volgens mij dachten we allebei dat dat wel weer in evenwicht zou raken.”

Ze zucht diep. Peinst enkele momenten. Ze legt de nagel van haar duim tegen haar bovenlip en wrijft een paar keer heen en weer, dan merkt ze haar beweging op en stopt ze abrupt, een kleine blos kleurt haar wangen. “Na hem is er niemand anders meer geweest. Ik weet niet of dat ligt aan wie ik ben of aan wie hij was. Misschien omdat het nog steeds pijn doet, de manier waarop hij zichzelf uit mijn leven wiste, de manier waarop hij toegaf aan die spoken in zijn hoofd. Ik heb nog zoveel vragen voor hem, zoveel dingen die ik wil weten en ik krijg de antwoorden niet.” Haar stem is op een breekpunt gekomen, ze kijkt recht in de camera. “Weet je hoe dat voelt?”

III.

Ik stop met het doorspoelen van de opname op het punt waarop ik mijn hand door mijn haar haal. Ik vind het moeilijk om mezelf te zien zitten, mijn wallen lijken dan ik ze in de spiegel kan meten en mijn haar is warrig en onverzorgd. Ik heb het begin van de opname vaak genoeg gezien, ik weet precies wat ik zeg, op welke manier ik mijn zinnen vorm en de woorden weeg. Dit deel heb ik nog niet teruggekeken. Op het beeld leg ik mijn handen op tafel. “In zijn kamer vond ik een stapel notitieboekjes. Ze lagen in de la onder het bed. Ik was net even alleen, papa was de aanhangwagen oppikken en mama was in gesprek met de buurjongen. Ik heb ze in mijn rugzak gestopt, niets gezegd. Ik denk niet dat hij had gewild dat het in verkeerde handen kwam, ik wist niet eens of mijn handen wel de juiste waren.” Ik kijk naar mijn handen. Het is een ondoordachte beweging, intentieloos. Het voelt gemaakt, geveinsd. Ik maak een aantekening om er een kleine fade-out in te monteren. Ondertussen praat ik verder.

“Er was een jongen, op het station. Hij leek op hem. Niet echt, natuurlijk, maar ik dacht even dat hij op hem leek. Toen ik thuiskwam, heb ik een boekje opengeslagen. Eerst vluchtig gebladerd, later begon ik te lezen, te kijken. Ik wist niet dat hij was begonnen met tekenen, hij heeft het me nooit verteld. Ik kon ineens zien op welke manier hij naar zijn eigen leven keek, wat hij wilde vastleggen. Eerst slordig en gehaast, later met steeds meer details, steeds meer aanhechtingen om zich aan vast te knopen. Alsof hij zich met die tekeningen wilde verankeren aan iets wat uit zijn vingers leek te glippen.” Ik haal diep adem.

“En tussen alle schetsen door die eindeloze hoeveelheden tekst. Hoe vaak heeft hij gekeken naar zijn eigen beslissingen en keuzes? Volgens mij heeft aan aan alles wat hij de laatste vijf maanden deed wel enkele regels gewijd. Alles werd aan alle kanten bekeken, doorgelicht, van evaluatie en lering voorzien. Overal die twijfel, het streven naar verbetering, het zichzelf opjagen. Ik heb soms dagen niet kunnen lezen omdat hij zichzelf zo weinig gunde, omdat dat zo confronterend was met de manier waarop ik hem had zien struikelen, de laatste jaren.

Ik lach kort. Het klinkt schamper, een beetje spottend. Het is alsof ik hem hoor. “Op één van de laatste bladzijden schrijft hij: ‘mensen die nergens over praten sleuren je regelrecht het donker in’. Ik weet nog steeds niet of hij het daar over zichzelf heeft of over iemand die hem het donker in wist te sleuren en er is zoveel wat ik nog niet weet. Er missen delen, lijkt het. Hij heeft om bepaalde dingen heen geschreven, personen tussen de regels gelaten maar nooit een uitgedrukte passage gegund. Hij schrijft vaak over zichzelf terugtrekken, verdwijnen en vrede vinden, niet over de dood. De laatste bladzijden lezen niet als een afscheid of breekpunt, hij laat geen paniek zien. Ik begrijp door wat hij achterliet nog minder dan ik van de leegte begreep.”

Ik pauzeer de opname, spring twee minuten verder, naar de laatste shots. “Op de allerlaatste bladzijde van het half-beschreven boekje staat alleen het woord ‘vrede’, in stift. Dikke zwarte letters. Ik weet niet of hij het als laatste schreef of vroeg zodat hij er ooit weer op zou stuiten, maar ik hoop dat hij het voelde toen hij het schreef.” Mijn blik verandert, glijdt door de kamer, langs muren die zijn gevuld met onze schoolfoto’s, onze verjaardagen, onze ontwikkeling. Ik slik iets weg, kijk de camera in. “Ik hoop dat je vrede hebt gevoeld.”

anonymous asked:

Advies nodig.. jongen die in relatie is (van 3jaar) heeft mij gekust en wil verder afspreken in het geheim. Ene kant wil ik dit echt niet, ik wil zijn relatie niet verpesten, ookal zegt hij dat het niet ga uitkomen, aan andere kant wil ik het wel... wat moet ik doen??!?

Terwijl ik mijn armen om je heen sloeg, dacht ik vooral aan hoe we binnenkort vaarwel zullen moeten zeggen tegen mekaar. Hoe we zullen afspreken elkaar nog geregeld te zien, maar beide weten dat dat niet zal gebeuren. Hoe jij je leven zal beginnen en daar voor mij geen plaats zal zijn. En hoe zeer ik me er van bewust ben dat jij ook nooit een toekomst in mij hebt gezien. Desondanks trok ik je nog wat dichter tegen me aan, want in mijn ogen ben je de pijn die er gegarandeerd zal komen wel waard. Het gevoel van je nog één keer zo dicht bij me te hebben gehad zal dan namelijk niet verdwijnen, ook al doe jij dat wel. Ik mis je. 

gelukzalige  asked:

4 - 31 - 53 - 55 (tja 1 zou te straight forward zijn zeker 😂😂) tienmiljoen knuffels voor deze geweldige gurl xox

HAHAHHA JA BEETJE WEL JA

4. what are you looking forward to?

ZOMERVAKANTIE BCS SCHOOL IS KILLING ME


31. 3 random facts

Alreadie answered hieronder xoxox


53. 5 things that make me happy

oei euhmm 

1) watermeloen 😂 of ja fruit int algemeen eigenlijk
2) zonsopgang/zonsondergang/maan/sterren/mooi weer/bloemen idk de natuur gewoon??😂
3) als ik van mijn ouders eens mag afspreken met vrienden ofzo bcs dat mag bijna nooit
4) leuke vrienden zoals jou xxx
5) shoppen hahah


55. tumblr friends

DAT ZIJN ER ZOVEEL, MAAR JIJ HOORT ER ZEKER BIJ (love ya’ll)

TWINTIGMILJOEN KNUFFELS TERUG VOOR DE GEWELDIGSTE GURL XXX

Accismus

Er zijn weken voorbij gegaan wanneer ik weer van haar hoor. Zo gaat het telkens, ze slingert mijn richting uit, bijna raken we elkaar en dan is ze weer verdwenen, en ik weet dat ik weer kan wachten. Het is frusterend dat ik eigenlijk tot nu toe nog niets anders heb kunnen doen dan af en toe naar haar kijken en luisteren en dat het waarschijnlijk nooit meer zal worden dan dat. In ieder geval niet als ik haar niet met haar schitterende wipneusje op de feiten druk. Dat ik voor haar gevallen ben, dat ik naar haar verlang, dat ze me pijnigt door steeds tussen mijn vingers te glippen maar dat het me ook aantrekt, hoe onmogelijk ze is, hoe fascinerend, hoe prachtig ze eruitziet in het diepe zwart dat ze draagt. Ik hou mijn mond. Als ik te veel risico neem schrik ik haar nog af en dan kan ik niet meer naar haar kijken en luisteren, en volgens heb ik dat liever dan dat ik haar helemaal niet meer kan zien wanneer het echt ten einde komt.

Ik weet dat ze weer aan me heeft gedacht omdat mijn telefoon gaat, en ze is de enige die me ooit belt. De rest stuurt berichtjes via twitter of whatsapp en is verontwaardigd als ik die soms een tijdje uit laat staan, maar zij belt. Omdat ze me grappig vindt aan de telefoon, zegt ze. Omdat ze weet dat ik haar stem mooi vind, denk ik. Omdat ze mijn stem ook graag hoort, hoop ik. Ik laat de telefoon zeven keer overgaan en neem rustig op. “Hoi,” zeg ik, “dat is lang geleden”. Ze lacht en ik zie voor me hoe ze even denkt. Altijd bijt ze eventjes op haar onderlip, altijd wordt haar blik een beetje wazig. Ze is zo mooi als ze denkt. “Ja, een paar weken wel geloof ik.” Ik lach hardop. “Oh, zo lang? Het leek een stuk korter.” De waarheid is dat het 23 dagen waren en dat elke dag te lang heeft geduurd, maar ze hoeft het allemaal niet te weten. Het is beter als ze het niet weet. Mijn toon is plagerig. Ze vraagt iets. Ik mis het omdat ik denk aan hoe ik haar vorige keer bijna had gezoend. Hoe dichtbij ik was en dat ik het toch niet durfde. “Sorry, ik luisterde niet naar je. Wat zei je?” “Ik ben woensdagavond vrij. Heb je wat te doen?”

Ik doe alsof ik een agenda raadpleeg. “Ik heb het heel druk maar ik denk dat ik je wel kan zien”. Ik lieg weer, mijn agenda is leeg, vooral omdat ik in de avonden toch zelden iets te doen heb. Mijn eerste ervaring met een nachttrein terug naar huis kreeg ik omdat ik liever langer bij haar bleef dan mijn geplande trein te nemen. Ze is zo vreemd voor me, zo anders. Ze maakt me zo anders als ik bij haar ben, zo veel meer dan ik normaal lijk te zijn.

We spreken af op het station. Ze haalt me op met haar fiets, ik mag trappen. Er is niets zo fijn als haar hand om mijn middel voelen als we over een hobbel rijden. We doen het gebruikelijke. We zoeken een café dat we beiden niet kennen en praten over alles. Ik doe alsof het me niet steekt als ze het heeft over jongens waarmee ze ooit afsprak, ik doe alsof ik niet probeer om onze knieën te laten raken, alsof mijn hand toevallig soms langs de hare strijkt. Bij elke fysiek contact bied ik mijn excuses aan en trek ik me terug, en ondertussen speelt ze met een lok haar en probeer ik krampachtig niet te denken aan de talloze artikelen op internet die me vertellen dat ze interesse in me moet hebben. Op een bepaald moment, als de gesprekstof vervlogen is en haar blik door de ruimte glijdt verzin ik een reden waarom ik naar huis moet. Ik wil niet dat ze zich verveelt, dat ze een volgende keer liever niet meer met me ergens heen gaat voor rode wijn en whisky. Ze knikt, ik betaal en even later zitten we weer op haar fiets in de richting van een trein die ik nu al haat. Ik zeg niet dat ik aan haar denk wanneer ik wakker word, of wanneer ik ga slapen. Ik zeg niet dat alle vrouwelijke hoofdpersonen in de boeken haar gezicht krijgen, ik zeg niets waardoor ze me niet zal vergeten.

Bij het station nemen we afscheid. Ze drukt haar lippen op mijn wang, trekt me dicht tegen zich aan en zegt hoe leuk ze het vond me weer te zien. “Je bent altijd zo makkelijk, in het afspreken en het gesprek. Dat is fijn. Tot snel weer!” Ze draait zich om en loopt naar haar fiets. “Hou van me,” smeek ik tegen haar kaarsrechte rug en blonde haren. “Alsjeblieft, hou van me. Want ik denk niet dat de liefde van een ander ooit zo veel invloed zal kunnen hebben als die van jou.” Maar ik zwijg, en laat mijn wanhoop niet blijken. In plaats daarvan schakel ik mijn telefoon uit en zoek ik een trein naar huis. Over drie weken hoor ik vast weer van haar. Misschien wel eerder. Misschien ook niet.

Accismus is het afwijzen/nonchalant reageren op iets wat je eigenlijk verlangt.