-Millingen

Het mooiste werk van Nederland

“Ik heb het mooiste werk van heel Nederland”.

Deze quote laat Jan Meeuwissen regelmatig vallen, als hij – op stoom – zijn verhalen en anekdotes de vrije loop laat.

Laatst was zo’n heerlijke en bijzondere vroege zomermiddag, waarvan je geen genoeg kunt krijgen. Een middagje ‘schipper mag ik overvaren’ uit mijn vroege kinderjaren, krijgt een nieuwe editie.

Op de Heen en Weer V van Kievits veerdiensten bij Millingen, mag ik het genoegen smaken om de ervaringen en belevenissen van schipper Jan te jutten. Een schipper, met hart en ziel verknocht aan het water van de Waal. Maar ook aan de mensen die door de jaren heen, aan en rond die Waal wonen en werken.

 

“Kijk, daar bij die schepen ben ik geboren, daar onder aan de wal bij de Rijndijk, daar is het allemaal begonnen”.

“Vooral toen ik een jaar of 12 was en met de roeiboot iemand overzette voor 35 cent. En nog wat centjes bij pakte met de verkoop van de vis uit de fuik: elk dubbeltje is er een”.

“En daar, aan de overkant zie je steenfabriek de ‘Kijfwaard’, met zijn stoere schoorstenen. Daar heb ik ook een leven liggen. Ik ken nog de namen van de werkers, zoals die twee van Driessen, waarvan de ene de Rus heette en dat jong van van Haren met als bijnaam, de Wolf. Ik kan ze nog zo uittekenen. Vroeger hadden veel mensen in Millingen een bijnaam, gewoon om ze uit elkaar te houden, het hele dorp had zo’n beetje dezelfde naam. De baas van de steenfabriek heette trouwens Graaf Forel, een Belg. En ene van Wijk uit Beek zat ertussen”.

 

“De steenfabriek was goed voor ons, gaf werk, dankbaar maar wel zwaar. Maar het geld maakte het weer goed. Ik zie het nog zo voor me, die ringoven met de stoker en zes man aan het wiel, de in- en uitkruiers die op de lorrie de stenen naar het tasveld reden om ze in de zon te laten drogen. En daarna gingen ze pas de oven in om te bakken en te harden en op kleur te komen. ’s Morgens vroeg brengen en ’s avonds ging ik ze weer ophalen. Zo gingen de dagen voorbij”

Met weemoed in de ogen kijkt Jan naar de werf, waar mooie schepen gebouwd werden, zoals de Henri Dunant. En later de gouden jaren van DAMKO, waarbij middels kleine scheepjes die naar de sloop gingen, de tonnage opgekocht werd, om daarvoor in de plaats een groot schip te mogen bouwen.

“Doe je ogen maar eens een minuutje dicht, Rob, open ze en je ziet steeds een nieuwe foto van het rivierenlandschap”. Die stromende verandering van water en lucht boeit hem nog steeds, mijn vitale schipper van bouwjaar 1936.

“Zie je die tanker daar met blauwe kegel, die vervoert een gevaarlijk goedje. Hoe meer kegels, nou dan weet je het wel. Die douche met gele kop voor de stuurhut is om je af te spoelen, voor als het fout gaat. Wij mensen van het water zeggen altijd: wij leven van de modder en de rotte vis. Op het water ruikt het en is het anders dan aan de wal. Het is een heel andere wereld”.

“Kijk daar die duwboot, met zesbaks, die duwt zo 1000 ton water weg en dat gat wordt weer aangezogen. Zo ontstaat er een enorme stuwing en zuiging naar en van de wal”.

Sinds zeven jaar schippert Jan zijn veerpont over de snelweg die Waal heet. Constant zie je aan stuur- en bakboord schepen hun koers zoeken, en dat maakt dat er per dag om en nabij de  500 schepen Millingen passeren. “Het blijft dus schipperen op die Waal, door de stroming en de drukte”.

 

Als we aan de krib liggen te wachten, komt er een aantal fietsers zwaaiend aangerend om nog de pont te halen. “Soms lijken die fietsers wel ‘kamelen’, alles schudt aan ze. En dan denk ik: doe toch rustig aan mens, straks krijg je nog een hartaanval, ik wacht wel op je, maar ja, dat kan ik ze niet laten weten”.

Eenmaal aan boord weer op verhaal gekomen, doet Jan zijn ronde en met een knipoog en een grol incasseert hij de 1,75 euro voor een enkeltje heen of weer. Beiden hebben lol.

Van mijn vader mochten we nooit in de Waal zwemmen. Hij zei altijd: “water is niet om in te zwemmen, maar om de kost te verdienen. Wij kennen de verraderlijke stroming. Als er kermis in het dorp was, keken de mannen nog  weleens te diep in het glaasje en daar bij de krib van Piet Coenen is er toen eentje verdronken”. Groot leed in het dorp.

 

Jan tekent vervolgens voor mij hoe tussen de kribben de stroming zijn cirkels maakt en op de kop van de krib dood water geeft.

“Wij schoten met de luchtbuks op blikjes die in het water dreven en soms zag je zo’n blikje wel drie keer langs komen. En met de roeiboot gingen wij ‘kribjes pakken’, en dan loop je zo bij een boot weg die even hard vaart. En die kunst van kijken naar het water en gebruik maken van die nering uit de kolk, noemt Johan Cruijff, de wedstrijd kunnen lezen”.

Tegenwoordig hebben we hier ook een meetlaboratorium aan de wal liggen, om de verschillende waarden te meten. “Maar de Waal is al lang geen vuile rivier meer. Sterker, hij is best schoon, en door de lozing van het koelwater van de centrales leven er zelfs andere vissoorten in, maar de Waal zal nooit meer dichtvriezen. Dat waren mooie tijden, een bevroren Waal met al die schotsen en dan strooide ik een paadje met as, zodat je niet uitgleed”.

Aan het eind van een amusante ontmoeting,  krijg ik van Jan nog een rivierwijsheid mee: “aan de wal is het een eeuwigdurend gezeik, op het water gaat het er heel anders aan toe. Je bent met een paar man en natuurlijk is er ook weleens wat, maar dan zeg je waar het op staat en dan is het over”.

Volgende keer ga ik met Jan in gesprek over de projecten ‘ruimte aan de rivier’; ik ben benieuwd wat hij daarvan vindt.

20 mei 2014.