Barbie-dag in museum van de twintigste eeuw Hoorn

Barbie-dag in museum van de twintigste eeuw Hoorn

HOORN – Barbie is alweer 50 jaar in Nederland! Op 15 juni vieren we dat met iedereen die van Barbie houdt. Grote en kleine liefhebbers, verzamelaars en kenners. In het nostalgische Museum van de 20e Eeuw staat de grootste collectie Barbies die er in Nederlandse musea te zien is.

Kom kijken hoe Barbie in 50 jaar is veranderd van tuttig dametje tot onafhankelijke carrièrevrouw. Ze heeft al meer dan…

View On WordPress

Ik geef snel op. Als je mijn een wiskundeprobleem voorschotelt zal ik na drie keer proberen het boos aan de kant gooien. Om maar te zwijgen over de frustratie die ik voel als ik een band moet plakken en het niet lukt. Dan ga ik tien keer liever naar de fietsenmaker dan dat ik het zelf doe. 

Het enige wat ik nooit heb opgegeven is mezelf. Vier jaar lang, van ongeveer mijn zestiende tot mijn twintigste, was ik ongelukkig. Wat een veel te lange tijd is. Natuurlijk heb ik in die vier jaar leuke dingen gedaan maar toch kenmerken die jaren zich door een grote grijze waas. Veel ben ik vergeten uit die tijd, simpelweg omdat ik zo snel mogelijk wilde vergeten. Ik ben blij dat ik veel schrijf als ik ongelukkig ben. Het is niet altijd fijn om te lezen wat ik toen schreef, maar ik ben blij dat ik iets tastbaars heb dat me helpt herinneren.

In plaats van opgeven heb ik gevochten. Ik heb gestreden. Ik probeerde de torenhoge muur die voor me stond naar beneden te halen. Hoe onmogelijk het soms ook leek. Achter die muur, wist ik, waren bloemen en vlinders. Achter die muur schijnt de zon en klinkt er gelach. 

Nu ben ik op het punt dat ik de zon kan zien schijnen en het gelach kan horen. Het gevecht met de muur heeft me blauwe plekken, liters aan tranen en een aantal littekens bezorgd, maar ik ben er. De lege grijze kant waar de zon niet scheen kan ik nu achter me laten. De littekens zijn een teken van het gevecht dat ik ben aangegaan. De muur is nog niet helemaal weg, maar ik kan er nu tenminste overheen springen. Ondanks dat er nog een beetje schaduw is kom ik er wel. 

Ik kan nu oprecht zeggen dat ik trots op mezelf ben. 

Pioniers aan het begin van de twintigste eeuw

image

Overal in de samenleving hoor je - gelukkig - dat men zoekt naar vernieuwing van het leven, maar hoe kun je iets vernieuwen dat zo oud is als de wereld zelf? Waar kan het élan vandaan komen voor vernieuwing van ons leven? Van welke aard zijn die ‘vleugels van vuur’ die het versplinterde menselijke bewustzijn willen omvormen, willen helen? Kan het eigenlijk wel?

Het zijn geen nieuwe vragen en ook de urgentie ervan is niet nieuw. Maar nu, nu er terecht over ‘crisis’ wordt gesproken, worden ze weer gesteld, door mensen oip zoek naar een werkelijke oplossing.

Aan het begin van de twintigste eeuw werden ze ook in Nederland gesteld, en op uiteenlopende wijze benaderd, in navolging van wat er internationaal gebeurde. Nieuw denken, in de kunst en in de architectuur, in de wetenschap, in de filosofie en de psychologie, in de maatschappij van alle dag en in het occulte en esoterische onderzoek.

Pioniers durfden aan een nieuwe samenleving te denken; en met een zichzelf vergetende bezieling gaven zij vorm en inhoud aan wat er nog niet was. Zij waren het die vorm gaven aan het nieuwe dat ze voor zich zagen, in taal, in beeld, in klank en in geschrift.

Schilders, schrijvers, bouwers, musici en natuurkundigen, Maar ook filosofen, spinozisten en maatschappijvernieuwers, christenanarchisten en boeddhisten. En godsdienstvernieuwers in elke richting.

Wat hadden ze gemeenschappelijk? Dat was die weidse en visionaire blik op een verlicht menstype. Dat was een nieuwe samenleving, een nieuwe mens en een inrichting van de samenleving die er nog niet waren.

Zij weken af van de gangbare wetenschap en religie. Ze ontkenden de claim op waarheid en werkelijkheid, zoals die dichtgetimmerd waren door wetenschap en religie. Dáár braken ze uit; desnoods met een geur van wereldvreemdheid of van wereldverbeteraars.

De gnostieke en de hermetische traditie werden hartstochtelijk gezocht en beleefd. Ze onderzochten de essenties uit de oosterse wijsheid. Ze herkenden de wondere wereld van  spinoza’s gedachtegoed en ze konden die omarmen zónder vervolgd te worden.

Men herontdekte de taal als een machtig instrument van vernieuwing en bewustwording. Want waar de crisis in Europa een hoogtepunt bereikte, twijfelde men zelfs aan de continuïteit van cultuur en samenleving. Tegelijk groeide in velen het vermoeden, het beeld van een neiuwe verlichte mens. Was dat niet de opdracht in Europa?  

Bron: Op vleugels van vuur, Symposionreeks 2013,

http://www.rozekruispers.com/nl/product/9789067324243/op-vleugels-van-vuur.html

Van de kunsten naar de loopgraven

Op woensdag 8 oktober speelt het Pianoduo Scholtes & Janssens het openingsconcert van het Pianoduo Festival Amsterdam. Op het programma staan de Souvenirs van Samuel Barber (selectie), de Boléro van Maurice Ravel en Igor Stravinsky’s Le Sacre du Printemps.

Naar aanleiding van dit programma met werken geschreven rondom en na de Eerste Wereldoorlog verdiepte Roel Weerheijm, schrijver en redactiemedewerker van het festival, zich in de spanningen van de Eerste Wereldoorlog en de hieraan gerelateerde ontwikkelingen in de klassieke muziek.

Van de kunsten naar de loopgraven

In de Romantiek is de dood voor de mens het donkere maar ook verwachtingsvolle eindpunt. Begin twintigste eeuw is die mens deel geworden van een zelfbewuste, trotse natie. De dood verandert, dankzij een on-Europese kadaverdiscipline, in een heroïsch middel van opoffering voor de burger om zijn natie te eren. In de Eerste Wereldoorlog zal deze heroïek een eerste dieptepunt bereiken.

De Eerste Wereldoorlog trekt opvallend veel intellectuelen, schrijvers en kunstenaars aan: in een tijd waarin nauwelijks dienstplicht bestaat, schrijven zij zich massaal bij hun legers in om hun deel van de heroïek te kunnen meemaken. Componist Maurice Ravel doet als chauffeur dienst vlak achter het front tijdens de Slag om Verdun, en houdt er permanent zenuwklachten aan over. Componist Ralph Vaughan Williams chauffeert voor de Britten. Concertpianist Paul Wittgenstein vecht aan het oostfront en wordt later beroemd omdat hij bij onder meer Prokofjev en Ravel een pianoconcert bestelt voor alleen de linkerhand – zijn rechterarm is er door de Russen af geschoten. Dichter Georg Trakl zet zijn beroep als farmaceut in achter het front en onderneemt door wat hij daar meemaakt minstens twee zelfmoordpogingen. Expressionist Oscar Kokoschka vecht aan de zijde van de Centralen en overleeft ternauwernood een zware schotwond in het hoofd. Fantasyschrijver J.R.R. Tolkien is officier aan Britse kant tijdens de Slag aan de Somme. En tenslotte is er tijdens diezelfde Slag een nog onbekende soldaat die, wellicht dan pas, zijn hoop om kunstschilder te worden laat varen: Adolf Hitler.

1870-1914: de grammatica van de muziek verandert

De aanloop naar die catastrofe begint in 1871, met de Frans-Pruisische Oorlog. De 19e-eeuwse traditie verdwijnt na die oorlog geleidelijk voor de 20e-eeuwse revolutionaire geest. Maar in de muziek is lange tijd nauwelijks iets te merken van deze spanningen: de decennia 1870-1890 zijn de gloriejaren van de laat-Romantiek met onder meer de première van de Eerste Symfonie van Brahms en de Ring des Nibelungen van Wagner, twee van de grootste mijlpalen in de 19e eeuw sinds Beethoven. Er woedt een kunstzinnige “oorlog” tussen het progressieve kamp van Wagner en Liszt en het conservatieve kamp van Brahms en Hanslick. In Italië viert de operacultuur hoogtij en in Frankrijk bloeit met componisten als Saint-Saëns, Franck en Fauré een eigenzinnige Franse stroming op, tussen Romantiek en Naturalisme. In Rusland ontstaat iets vergelijkbaars dankzij de Groep van Vijf met onder meer Rimsky-Korsakov, Borodin en Moessorgski. Het oeuvre van Beethoven ziet men als een reeks grammaticale regels voor de muziek. Het zijn voorlopig nog ijzeren wetten.

Pas in het fin de siècle,  de periode 1895-1910, barst de muziek, soms letterlijk, uit zijn voegen. De orkesten zijn steeds groter, de muziek is steeds langer en gecompliceerder, tot alles megalomane proporties krijgt in de werken van Richard Strauss, de symfonieën van Mahler en de Gurre-lieder van Schönberg. Lyriek delft in die jaren steeds meer het onderspit. De “Unendliche Melodie” van Wagner kan in een compositie alleen nog blijven bestaan in een veld van steeds geraffineerdere, gewelddadigere dissonanten, die daarmee een steeds prominentere plek in de muziek krijgen. Ironisch genoeg drukt juist de toenemende rol van de dissonant de melodie, en uiteindelijk de tonaliteit, weg.

Geweld als de grammatica van muziek sijpelt nu ook in de muziek door.

De omwenteling van het fin de siècle: muziek als (atonaal) schandaal

Igor Stravinsky schrijft in 1913 een compositie die de revolutie van de dissonant bekroonde: Le sacre du printemps. Ook hij gebruikt de enorme orkestbezetting die in de voorgaande decennia in zwang was, maar vult die aan met een aantal ongebruikelijke instrumenten zoals de piccolotrompet, de Es-klarinet, de altfluit en een exorbitant grote percussiesectie. Stravinsky heeft daarnaast een radicaal andere muzikale benadering: traditionele melodieën en variatietechnieken, symfonische ontwikkeling, en sonatevorm gaan overboord. Stravinsky herhaalt weliswaar thema’s en (korte) structuren om muzikale eenheid te bewaken, maar Le Sacre du printemps is een impulsief, theatraal, beeldend werk waarin muzikaal geweld de leidraad vormt voor het heidens-Russische verhaal van opoffering voor de lente. Muziekinstrumenten moesten soms oneigenlijke klank voortbrengen vanuit moeilijk bespeelbare registers, zoals in de beruchte fagotsolo waarmee het stuk opent. De grote percussiesectie onderstreept het gewelddadige karakter van de muziek en overstemt het melodieuze karakter met mechanisch gedreun: alsof machinale oerkrachten het afleggen tegen schoonheid, de dood die volgens het ritueel in het leven inbreekt om een lente-offer op te eisen. Veelzeggend eindigt het stuk met een dissonant in het basregister, van beneden naar boven gezien de noten D, E, A, D. Le Sacre du Printemps ziet men soms als een voorbode van het oorlogsgeweld dat het volgende jaar zou losbarsten. In dit werk zijn immers de traditionele opvattingen vervangen voor een revolutionaire, moderne visie. Agressie en geweld voeren de boventoon.

Stravinsky boekt in Parijs rond 1910 eerste successen met Petrouchka en L’Oiseau de Feu, goeddeels geschreven in het idioom van zijn leraar Rimsky-Korsakov. Schönberg voltooit na jaren werk in Wenen zijn laatromantische Gurre-lieder. Maar dan slaan beide componisten een radicaal andere weg in. De grenzen aan het traditionele systeem van toonsoorten zijn door de evolutie van de dissonant dermate opgerekt dat ze volgens Schönberg zelfs helemaal zijn verdwenen: muziek is voortaan atonaal, zonder toonsoort dus. In zijn opvatting zijn door toegenomen dissonantie alle twaalf tonen in een octaaf dermate “geëmancipeerd” dat ze allemaal gelijkwaardig zijn en dus ook even vaak moeten voorkomen in een muziekstuk, in series van twaalf: de twaalftoonstechniek was geboren. Stravinsky gaat in die jaren nog niet zo ver, maar ook hij verlegt de grenzen van de muziek met flinke passen. En ook in andere kunstdisciplines zijn in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog soortgelijke gewelddadige tendensen te zien: overal breekt men radicaal met de opgebouwde conventies om te choqueren en revolutionair te vernieuwen.

Na de première van de Gurre-lieder, op 23 februari 1913, volgt al op 31 maart een concert met nieuwe, atonale muziek. Het schandaal werd zo groot dat de bewuste avond als “Skandallkonzert” de geschiedenis in is gegaan. De expressionistische composities van Schönberg, Von Webern, Zemlinsky en Berg, gedirigeerd door de heraut van de atonale muziek Arnold Schönberg, verdelen de zaal in gepassioneerde voor- en tegenstanders die verbaal en fysiek massaal met elkaar op de vuist gaan. Mensen schelden elkaar uit, gooien alles naar elkaar wat ze in hun handen krijgen en vernielen zelfs het meubilair. Het geweld leidt tot een rechtszaak, waarbij een slachtoffer opmerkt dat de klap die hij ontving nog het meest harmonische geluid van de avond was geweest.

Nog eens twee maanden later, op 29 mei 1913, vindt in Parijs de eerste uitvoering plaats van Le Sacre du printemps. De provocatieve choreograaf Vaslav Nijinski zorgt voor misschien nog wel een grotere rel dan Stravinsky zelf: vrijwel alle aspecten aan het ballet voert hij tegengesteld aan de conventies uit. Zo staan de dansers met gebogen benen en armen, de voeten naar binnen wijzend op het toneel. Ze kijken stoïcijns, levenloos uit hun ogen. Hun vreemd gebogen handen lijken gebroken of geknakt. Ze springen nauwelijks en stampen veel. De devotie van de dansers is niet, zoals gewoonlijk, op de lucht gericht, maar op de aarde.

En dan is er nog de muziek, de schelle, dissonante, agressieve, erotische, opzwepende, gefragmenteerde, ritmische, driftige, soms zelfs lelijke muziek.

Een nieuwe rel is meteen geboren. Al binnen enkele minuten is de keurige zaal waarin de première plaatsheeft, veranderd in een scheldende, vechtende menigte. Ook nu gaan voor- en tegenstanders met elkaar op de vuist en bepleiten hun zaak schreeuwend en scheldend. Stravinsky had de dirigent van tevoren geïnstrueerd om door te gaan, wat er ook zou gebeuren. Al na de inleiding moet hij naar de coulissen om assistentie te verlenen, waar Nijinsky intussen zijn dansers schreeuwend instrueert, omdat hij anders in het boegeroep en geschreeuw onhoorbaar is. Getuigen zeggen achteraf dat het al binnen vijf minuten onmogelijk was om de muziek te horen.

Voor Stravinsky bleef het radicalisme van Le Sacre du Printemps ongeëvenaard: hij zou andere wegen zoeken en blijven vernieuwen, maar na de Eerste Wereldoorlog meer vanuit een tonale, neoclassicistische stijl. Overigens is de oorlog vrijwel geheel aan hem voorbijgegaan. Hij verliet ‘zijn’ Rusland zomer 1914 juist voor de grenzen sloten om tot 1920 in Zwitserland te wonen.

image

Reconstructie van Vaslav’s Nijinsky originele choreografie van Le Sacre du Printemps

De Voie Sacrée: de weg naar de hel

Hoewel het Parijs van Maurice Ravel niet in de buurt van het front ligt, lijdt de stad zienderogen onder de Eerste Wereldoorlog. Ravel heeft al snel ambities in de richting van de luchtmacht, die dan nog in de kinderschoenen staat, maar wordt afgekeurd. Hij moet intussen rijvaardigheden ontwikkelen, wat hij in het zicht van vrienden en collegae op de Champs-Elysées doet. In maart 1916 moet Ravel naar de hel die de Slag om Verdun heet. Vanaf de eerste tel loopt hij, met de andere Franse soldaten, continu gevaar: Duitse Zeppelins kunnen overvliegen en tot ver achter het front hun bommen gooien, en dichter bij het front vliegen de Duitse granaten hen onophoudelijk om de oren. Hij rijdt vrachtwagens van en naar het front bij Verdun, over de beruchte Voie Sacrée. Heen neemt hij nieuwe troepen mee richting het mortiervuur van de Duitsers, terug vervoert hij dode en zwaargewonde soldaten, kermend van pijnen en verminkingen. Ravel rijdt dag en nacht, zonder koplampen, op een slecht onderhouden weg, met wagens die consequent te zwaar beladen zijn en onder de constante dreiging door granaten geraakt te worden. Bij voorbaat gedemotiveerd maken de soldaten in zijn truck die naar het slagveld gaan, geluiden als mekkerende schapen. Ze nemen niet deel aan de gepropageerde heroïsche strijd voor hun vaderland, ze worden door onwetende generaals als schapen naar de slachtbank geleid.

Ook Ravel weet dit, maar hij blijft rijden. Tussen de gevaarlijke ritten door zoekt hij afleiding en kan hij zelfs deel blijven van de Franse muziekwereld. Een heftig debat woedt over de vraag of men in Frankrijk wel werk van Duitse en Oostenrijk-Hongaarse componisten moet uitvoeren. Ravel toont zich een groot man die boven de strijdende partijen staat. Hij vindt het volkomen oninteressant dat Schönberg een Oostenrijker is, dat Bartók en Kodály Hongaars zijn. Hij bewondert hun muziek. Dreigementen dat zíjn muziek verbannen kan worden van de Franse podia, deren hem niet.

Na zijn tijd op en rond de Voie Sacrée schrijft Ravel Le Tombeau de Couperin, een weemoedige pianosuite van zes korte delen in de stijl van de Franse barok. Elk deel memoreert een in Verdun gesneuvelde vriend. Weg is de mysterieuze, sprookjesachtige, zwierige sfeer van Ma Mere l’Oye waar Ravel in 1911 nog zulke warme reacties op ontving. Zijn stijl wordt soberder en somberder.

Een antwoord op de oorlog?

Opvallend genoeg is dat ook nog de stijl waarin hij jaren na de Eerste Wereldoorlog het monomane orkestwerk Boléro schrijft. Het werk is een toonbeeld van uniformiteit, eenheid en samenwerking: een vredig, eindeloos uitdijend thema en een ietwat donkere tegenhanger draaien om elkaar heen. Beide thema’s telkens verder ontwikkeld, brengen elkaar telkens opnieuw voort, alsof het ene thema inspiratie uit het andere thema haalt om verder te groeien in een briljant georkestreerd, eindeloos crescendo, tot in een grote, stralende climax.

Het kan zijn dat Ravel een muzikaal antwoord wilde geven op de eindeloze loopgraven en slagvelden van de Eerste Wereldoorlog, waar zoveel miljoenen mensen een zinloze dood in zijn geschoten. De Boléro is een pas op de plaats en past geheel bij Ravels overige muziek, die zo vaak de blik achterwaarts richt, weemoedig omkijkt naar wat was, die reageert op de echo’s van vervlogen stijlen en oude componisten. In de Boléro fuseren oud en nieuw, klassiek en jazz, licht en donker, ordening en nonchalance. In feite fuseert het ook in een ander opzicht traditie met vernieuwing: de Boléro verenigt de meest vergaande consequentie van de modernistische afwezigheid van traditionele ontwikkeling (nihilisme) met de eeuwenoude, zeer traditionele variatietechniek. De Boléro viert het leven, de liefde en het optimisme, maar er hangt niettemin een grote, donkere sluier over de muziek, die die atmosfeer flink afremt en insnoert.

De Eerste Wereldoorlog zou Ravel na Verdun en de Voie Sacrée nooit meer verlaten.

Dansen als het vrede is

De Amerikaanse componist Samuel Barber, geboren in 1910, zou in de Tweede Wereldoorlog als gevechtspiloot dienen. De Eerste Wereldoorlog speelt in zijn leven en werk geen rol.

Of toch?

Ruim na de Tweede Wereldoorlog, in 1952, ontstond Souvenirs, een luchtig muziekstuk bestaande uit zes delen. Barber wilde de sfeer oproepen van New York rond het jaar 1914. Inderdaad: niet lang daarna zou Amerika met de hakken in het zand de Europese oorlog in getrokken worden, maar dankzij deze interventie werd wel de Amerikaanse wereldhegemonie, ook die op muzikaal gebied, geboren.

Barbers Souvenirs is een interessante collage van stijlen: sommige delen doen sterk aan Stravinsky denken, andere delen aan Zuid-Amerika. We horen een wals en een pas-de-deux. De Amerikaanse muziek heeft zich lang afhankelijk van, en schatplichtig aan de Europese traditie opgesteld. Niet voor niets wees Dvorák als directeur van het Nationale Conservatorium in New York de Amerikanen op de muzikale rijkdommen uit hun eigen land. Ze willen zo graag Europa nadoen, constateert hij, maar de Afro-Amerikaanse muziek en de muziek van de Native Americans is hun echte, eigen bron. Wanneer Amerika rond en na de Eerste Wereldoorlog een wereldmacht wordt, evolueert ook de Amerikaanse muziek tot een zelfstandige cultuur, met gevierde componisten als George Gershwin en Leonard Bernstein.

Barbers muziek is echter goeddeels voortgekomen uit Europese klassieke muziek, zoals die van J.S. Bach en Johannes Brahms. Barber schrijft tonaal, melodieus en toegankelijk. Zoals Ravels Boléro en Stravinsky’s Le Sacre du Printemps balletten zijn, is ook Barbers Souvenirs dansmuziek pur sang – maar lichter en bevrijd van onzichtbare ketenen. De wereld stopt nooit met oorlog voeren, maar we moeten als het vrede is ook luchtig en onbezwaard kunnen dansen!

Tekst: Roel Weerheijm

Zondag The Elegant Universe Marathon op NPO Doc

Een van de meest duizelingwekkende en opwindende theorieën in de natuurkunde is de snaartheorie. Deze wordt gezien als een mogelijke theorie van alles, die de vier fundamentele natuurkrachten in één universele allesomvattende theorie onderbrengt. In de driedelige serie The Elegant Universe (2003) slaagt presentator en auteur van het gelijknamige boek Brian Greene erin op onderhoudende en toegankelijke manier de kijkers inzicht te geven in deze materie. De serie werd laaiend enthousiast ontvangen en bekroond met zowel een Peabody als een Emmy Award. Documentairekanaal NPO Doc zendt alle afleveringen op zondag 17 augustus achter elkaar uit!

Aflevering 1. Einstein’s Dream
Lang werd de natuurkunde beheerst door twee grote theorieën uit de twintigste eeuw: die van de relativiteit en de kwantummechanica. Maar deze zijn niet verenigbaar met elkaar, waardoor de ontwikkeling van de natuurkunde stagneerde. De snaartheorie biedt een alternatief voor het verklaren van grote kwesties als het begin van het universum. De eerste aflevering van The elegant universe is een introductie tot deze ‘theorie van alles’.
Uitzending op 17 aug om 12.00 uur op NPO Doc

Aflevering 2. String’s the Thing
De tweede aflevering van The Elegant Universe begint met een scène in een bioscoop. De geschiedenis van het universum wordt achterstevoren vertoond, tot aan de Big Bang, het moment waarop ons conventionele model van de werkelijkheid het laat afweten. Presentator Brian Greene beschrijft hoe snaartheorie dit probleem oplost.
Uitzending op 17 aug om 12.53 uur op NPO Doc

Aflevering 3. Welcome to the 11th Dimension
In het derde en laatste deel van The elegant universe laat Greene zien hoe Edward Witten (Princeton Institute of Advanced Study), met hulp van anderen, een revolutionaire draai wist te geven de snaartheorie. Hij verenigde vijf verschillende versies in één theorie, die ‘M-theorie’ wordt genoemd en kwam tot het bestaan van elf dimensies.
Uitzending op 17 aug om 13.44 uur op NPO Doc

Meer informatie over deze serie vindt u hier op de website van NPO Doc. NPO Doc is te bekijken op de volgende manieren:

Live stream op het internet:http://www.npodoc.nl
Bij UPC Digital op: kanaal 309
Bij CAIWAY op: kanaal 118
Bij Ziggo op: kanaal 212
Bij Interactieve tv van KPN: kanaal 102
Bij Delta: kanaal 35

Astroblogs: http://www.astroblogs.nl/2014/08/14/zondag-elegant-universe-marathon-op-npo-doc/

Sintnicolaas naar tweede plaats

Sintnicolaas naar tweede plaats

Tienkamper Eelco Sintnicolaas staat na twee onderdelen (100 meter, verspringen) op een verdienstelijke tweede plaats in het algemeen klassement. Na een gedeelde derde plaats op de 100 meter evenaarde hij zijn persoonlijk record bij het verspringen en werd tweede.

Sintnicolaas sprong 7,65 meter en hoefde alleen de Fransman Kevin Mayer voor zich te dulden.

Pelle Rietveld werd twintigste en bezet op…

View On WordPress


VPRO
De vierde Zomergast, Reinbert de Leeuw (Amsterdam, 1938) is dirigent, pianist en componist.

Hij studeerde muziektheorie en piano aan het Haagse conservatorium, waar hij later docent werd.

De Leeuw legde zich in zijn carrière vooral toe op uitvoeringen van klassieke muziek uit de twintigste eeuw. Hij is mede-oprichter en muzikaal leider van het ensemble Asko|Schönberg. In de jaren zeventig verwierf De Leeuw internationale bekendheid door zijn uitvoeringen van de zogenaamde vergeten moderne componisten zoals Erik Satie.

 

Reinbert de Leeuw was een van de voortrekkers van de Notenkrakersbeweging, een groep van jonge musici en intellectuelen die zich in de jaren zestig met protestacties het – in hun ogen ingeslapen – Nederlandse muziekleven, probeerde wakker te schudden.

 

Hoewel Reinbert de Leeuw leeft voor de muziek, heeft hij met componeren een haat-liefde-verhouding. In 2014 schreef hij voor het eerst sinds 1984 weer een stuk voor een groot orkest: Der nächtliche Wanderer. Dit stuk, uitgevoerd door het Radio Filharmonisch Orkest, beleefde zijn première op 1 februari.

 

De Leeuw treedt regelmatig op als gastdirigent van verschillende orkesten.

Reinbert de Leeuw is 10 augustus te gast in Zomergasten. Vanaf 20.15 uur op Nederland 2.

Text
Photo
Quote
Link
Chat
Audio
Video