dwaal

Zo af en toe dwaal ik door de straten van de plaats waar ik woon. Het is zo stil dat het soms lijkt alsof ik alleen op de wereld ben, alsof het kloppen van mijn hart de wereld in leven houdt en mijzelf. Het gevoel van totaal alleen zijn voelt op dat moment als een geschenk. Want soms heb ik het even nodig om het gevoel te hebben dat ik totaal alleen ben op de wereld,om er dan vervolgens achter te komen dat ik dat helemaal niet ben. Want hoe eenzaam ik me soms ook kan voelen, ik ben niet alleen. Maar soms vergeet ik dat. 

Fic: For Want of a Nail

Pairing: InahoxSlaine (orangebat)

Rating: PG-15

Chapter: 13/?  ~Previous Chapter: 12~

Words: 3.5k

Genre: Humor, romance, angst, fluff

Summary:

There is too much Inaho wants answered and so, rather than just leave Bat after shooting his aircraft down, he takes him in for questioning.  

On how different the events of both seasons would be had Slaine spent time in the Deucalion.

Chapter 13: Dwaal

Keep reading

Meer duif.

Verloren in het partituur van een stad. Als mensen kijken, zijn ze nieuwsgierig, niet bezorgd. Wij hebben de mogelijkheid te doen alsof we creperen zonder dat iemand ons opraapt. Het stikt hier van uiterlijke lichamen, maar de rede is algauw verloren.
Mensen hier zijn als pleinduiven die smeken om een kruimel en gaan lopen voor elke vorm van toenadering. Er zou maar eens iets moeten veranderen in de vereeuwigde neiging tot permanentie.

En spreek me maar niet meer over de liefde en hoe zeer ze pijn doet. Dwaal maar gewoon naar het egoïsme dat droomt in het centrum van onszelf. Ik hoef geen ander nu die me zegt hoe zeer pijn doet. Ik ben die ander en ik leef in mij. Ik ben een postduif op het plein. Ik smeek de kruimel en vecht me vrij.

Zelfredzaamheid

De vraag of een kunstwerk het in zijn eentje zou moeten kunnen redden is een hardnekkige. Het onvermijdelijke antwoord zou voorgoed moeten luiden: Nee. Kennis is essentieel, en daarbij: ieder ding bestaat in een omgeving, en omgeving is kennis. Het is bij hoge uitzondering een kunstwerk gegeven als een bliksem in te slaan.  De angel zit hem natuurlijk in dat ‘zich redden’. Daarmee wordt bedoeld dat het ‘zichzelf’ is en dat het in die onafhankelijkheid vanzelfsprekend betekenisvol kan zijn. Een steen op het strand redt zichzelf uitstekend, maar de kans dat het werkelijk iets gaat betekenen is erg klein.
In de tentoonstelling met werken uit de Würth-collectie in Het Noordbrabants Museum vouwt de moderne kunstgeschiedenis zich als een staalkaart keurig open.  Er is voor ieder wat wils – en dat is misschien ook wel het teleurstellende eraan. De vier seizoenen van Hockney weten zich uit dat keurslijf los te worstelen: de vier doeken van het landschap rond Thixendale, Yorkshire, vormen een stralend geheel. Ik dwaal van werk naar werk tot mijn oog blijft hangen bij een kleine sculptuur van Barbara Hepworth: ‘Three Forms in Echelon’ uit 1970.
De aanblik van een van haar sculpturen en zelfs het lezen van haar naam werken bijna zonder uitzondering als de wind op een klokje dat ergens in mij hangt. Ik beken: ik houd niet eens heel erg van haar werk, noch van de persoon die zij was. Eens bezocht ik haar huis in St Ives in Cornwall en ik herinner me hoe bijna tastbaar de sfeer was in dat lichte huis, alsof de zon, de zee en de wind ook binnen vrij spel hadden. Het schuurtje in de tuin, waar zij af en toe sliep, ontroerde me zelfs. Ik werd een mensenleven gewaar, een vrouwenleven om precies te zijn, in voortdurende strijd met de kunst, de materie, de beeldhouwkunst, de liefde, het leven. Dat zij het leven liet door een brand is een navrant gegeven.
Het is de combinatie van de koele orde in haar beelden, een desondanks zachte lichamelijkheid, de tijdgeest die er onmiskenbaar uit spreekt, samen met mijn ervaringen daar in Cornwall, die mij ontvankelijk maken voor haar werk. En dus ook voor dat ene werk op de tentoonstelling. Je kunt nog net zien dat het werk door mensenhanden is gemaakt en dat de drie objecten door een mensenoog gepositioneerd zijn. Maar ze bezitten bijna ook een zelfde soort vanzelfsprekendheid als een kiezel op het strand. Die ligt daar gewoon en redt zichzelf. Voor wie dat wil komt de schoonheid van de steen tevoorschijn en misschien zelfs ook zijn betekenisvolheid omdat, bijvoorbeeld, deze werd opgeraapt juist op die ene dag toen hij of zij erbij was en liefde om alles heen hing.
Dit alles is natuurlijk een poging om haar werk uit die staalkaart van de kunstgeschiedenis te halen. Het is uiteindelijk mijn kennis en mijn persoonlijke ervaringen die het werk ‘maken’.

We zaten op de bus. Ik zat achteruit en jij vooruit. Met enkel een paar mensen tussen ons. Als ik door het raam naar buiten keek, zag ik soms jouw spiegelbeeld naar me kijken en wanneer ik keek dwaalden je ogen weg. Ik weet niet wat je wilt of probeert. We wisselen vaak een blik uit en ik weet niet of die blik een genânte of een “ik kijk rond, verdwaalde in je ogen, ik zag dat jij terugkeek, en werd wakker uit mijn droom” blik was. Mijn hart klopt een beetje sneller als ik weet da jij op de bus zal zitten en wanneer ik je zie, dan stijgt het bloed naar mijn hoofd en wil ik niet liever dan me verstoppen of vergeet ik alles wat iemand me ooit had beloofd. Het duurt nu al meer dan een tijdje. En nog steeds dwaal je rond in mijn gedachten alsof je niet weet wat de pijn kan slagten. Alstublieft. Alstublieft zeg het me wanneer je ooit erover denkt om naar me te lachen of eens die kleine hallo te overwegen. Ik deed het ooit, maar dat liep fout. Zolang jij dit niet zal doen zit ik vast als een blok hout.

#eef

Die Trofee

Ek sien my asem voor by terwyl my hande bewe. Agter my is daar sewe seuns wat net soos ek lyk: yskoud, pap nat en dood moeg. Ons vat net ‘n klein ruskans voor ons terug na ons kamp roei om na ons hande vol blasé te kyk. Langs ons is die water so glad soos glas maar kouer as ys. Die son wys vir ons sy goud gesig van agter die hoër takke van die bome langs die rivier. Dit is ‘n vars September oggend op die Breë rivier aan die begin van seisoen se roeikamp.

‘Trek harder!’ skree ons afrigter, ‘Julle moet hard oefen as julle die SA kampioene wil wees!’

Almal trek met al hul mag want ons verstaan ons moet alles doen om te wen, ons moet eenvoudig net wen. Die water spoed verby ons terwyl ons die laaste honderd meter roei voor ons na ons kamp vir ontbyt gaan. Ek klim uit en voel al die bloed na my seer bene vloei. In ‘n dwaal trek ons die boot uit die water en sit dit op die rak. Een oefening is klaar maar daar is nog ses voor ons terug huis toe kan gaan.

Al ons harde oefening het gewerk en ons het al die klein resies deur die seisoen gewen. Nou is dit net ‘n paar ure voor die onder 16 SA-kampioenskap finaal. Deur die seisoen was ons die beste in die Wes-Kaap, maar in Gauteng is daar ‘n hele ander groep mense. Die tyd het vinnig verby gegaan en nou loop ons boot toe vir die finaal. Toe is ons in die water. Ons is by die begin. Almal kyk senuweeagtig rond, gereed vir die klap van die geweer.

Klap! Die geluid skiet deur my hele lyf en ons begin roei asof ons lewe daarvan afhang. Die eerste een duisend meter gaan blitsvinnig verby en ons is voor met vyf meter tussen ons en St John’s. Die geskreeu van die honderde mense motiveer ons deur die laaste een hondred en vyftig meter. Biep! Ons het gewen! Al die ander bote is ver agter ons. Die trofee is ons s’n.