(mijn)

Misschien zijn we gewoon het gewicht van woorden kwijt.
—  mensen weten echt niet meer hoe zeer woorden in mijn hoofd blijven hangen
Afleiding

"Ben ik je volgende afleiding?" vroeg ze. Het klonk plagerig, maar dat was waarschijnlijk de bedoeling. Op mijn hoede woog ik haar vraag. "Heb je het idee dat ik afleiding verlang?" vroeg ik. Ze haalde haar schouders op en haalde een sigaret uit het pakje dat tussen ons in lag. Mijn pakje. Voor het eerst had ik een sigaretten gekocht, omdat ik er zin in had. Halverwege de twintig en het gedrag van een puber.

Terwijl ze met de aansteker speelde en het vlammetje aan de sigaret liet likken gleed haar blik over het uitzicht om ons heen. We zaten op haar dakterras, ergens in West. “Je komt over als iemand die zich gretig en diep verliest, op zoek naar een verbinding die je af laat remmen. Jij raakt op snelheid en anderen zijn je valnet. Zo zie ik het een beetje voor me.” Ze blies de rook met de wind mee en wiebelde met haar wenkbrauwen. “Ik zie je nadenken, ik heb gewoon gelijk, toch?” Ik hield mijn hoofd even schuin en lachte naar haar. “Je hebt niet echt ongelijk. Ik zoek die verbinding, ja, en mijn interesse is snel gewekt.” “Ook snel verloren, vermoed ik.” Het klonk wat kil, maar ik kon haar geen ongelijk geven. Ik knikte. “In dat geval denk ik niet dat ik interesse in jou heb,” zei ze. Ik stond op en zette mijn zonnebril op. “Dat is niet erg,” zei ik, en ik meende het.

Bij de deur naar beneden riep ze me terug. “Spreek je morgen met een ander af?” vroeg ze. Ik zette mijn bril af en keek haar aan. “Ik denk dat je het antwoord wel weet,” zei ik. Toen liep ik de trap af.

Goed is fout

Het is zo’n dag. Het gaat weer eens te goed
met mij. Ik zoek een beetje tegenslag
maar zie dat zelfs de zon weer schijnt en wat
is het toch met iedereen die aardig doet?

Alsof ik vandaag niks moet. Hoe graag ik ook
zou willen dat het anders was gegaan, niemand
doet gemeen. Ik glijd vanaf een leien dak
zo in de watten van een zorgeloos bestaan.

En als ik boos mijn appeltaart bestel
krijg ik snel een aangenaam woord terug
wrijft de serveerster kort over mijn rug
en zegt dat alles goed komt, heus wel echt.

Ik heb gewoon geen zin in dit eindeloos geluk
dus zorg ik dat mijn vorkje valt en dat
wanneer ik buk, mijn hoofd zich aan de tafel stoot
het spelend kind schrikt van mijn vuist die balt

en dat de moeder woest op mij komt afgestormd
mijn hele dag zich weer tot hel omvormt,
ik wat ik gewoon ben zal moeten doorstaan:
allerlei miserie, dat het ouderwets weer slecht zal gaan.

Met nieuwjaar deed je me duizenden beloftes over wat we allemaal zouden gaan doen, over hoe goed ons jaar zou worden, over hoe leuk het zou zijn samen. Ik weet niet wat er mis ging. Jij gaf de schuld aan de drank, ik mijn eigen naïviteit. Ik verloor mijn vertrouwen in jou omdat je doet alsof je niks meer met me te maken hebt. Je durft niet meer naar mij te kijken en ik durf het je niet te zeggen. Sorry voor de dingen die ik nooit gedaan heb, misschien was je er dan nu wel voor mij. Sorry als ik niet kan zijn wat je nodig hebt.

Hoe druk ik het ook ooit ga hebben en hoeveel dingen er ooit door mijn hoofd mogen gaan racen, jij zal altijd het eerste zijn waar ik aan denken zal.
—  Altijd.
De schilder

"Mensen willen altijd dat je iets bent," zei hij. "Althans, ze maken altijd iets van je. Ze proppen je altijd in een rol." Hij liep vlak langs me, spoot wat verf uit tubes op een bordje triplex en liep naar de kamer. Op de tafel stond een vaas met zonnebloemen. "Cliché toch? Zometeen, als je weg bent, ga ik naar de badkamer en snij ik mijn oor eraf. Lachen." Hij grinnikte even in zichzelf. Ik zweeg en vroeg me af waarom ik hier was. "Goed, wat ik zei," bromde hij, en hij krabbelde aan zijn peper-en-zout-kleurige baard met een bevlekte hand. "Mensen willen altijd dat je iets bent. En als je in een rol zit, kom je er niet meer uit." Hij keek even naar de vaas en drukte de kwast op het doek. "Verdomme," bromde hij.

"Op school was ik het nieuwe joch, toen was ik het jongetje dat ze naar huis konden achtervolgen. Op de school daarna was ik de pestkop, de vechtersbaas. Op de middelbare school was ik de vrouwenjager op de brommer, totdat ik de geschorste werd. Daarna was ik de dromer, de nietsnut, de kunstenaar met een grote muil. Wat een gelul. Mensen zien wat ze willen zien." Hij wees naar een schilderij aan de muur. Een blonde vrouw keek verdrietig in de verte. Het was niet een heel erg goed schilderij, haar gezicht leek hoekig, vervormd. "Mijn vrouw," bromde hij. "Vertel eens wat je ziet."

Ik dacht na, ging wat dichterbij staan. De trek rond haar mond was wazig, alsof hij alleen de ogen duidelijk van emotie had willen voorzien. Ik kon niet zien of ze lachte of somber keek. Ik wees naar de mond. “Je kon niet beslissen,” zei ik. Hij schudde zijn hoofd. “Nee. Ze poseerde met een brede glimlach. Kan je het geloven? Tumoren door haar hele lijf, morfine die maar half werkte en zij zat daar met een brede glimlach voor me te poseren. Mijn eigen vrouw, bang om aan me te laten zien hoe ze zich echt voelde. Bang, boos, verdrietig. Dat verstopte ze allemaal.” Hij snoof en veegde weer met een hand door zijn baard. “Ik schilderde wat ik wilde zien. Ik ben niet de uitzondering op mijn eigen regel, helaas. Wil je thee? Volgens mij heb ik in de keuken nog een paar zakjes liggen.”

naakt.

op dinsdag ben ik naakt, zelfs onder al
mijn kleren. op woensdag is er niets van
mij wat passie je kan leren. elke dag is
vaak dezelfde, maar ik bid nog steeds
voor morgen, terwijl even verderop
verpleegsters voor verleden mensen
zorgen.

nog altijd is het gisteren, zo zelden echt
vandaag. ik kruid mijn vlees met verhalen,
ik vertel ze laag voor laag. soms ontbijt ik
uitgebreid maar sterven doe je zo. 

en zo is alles stilletjes verloren, zelfs de pers 
waarmee je fruitsap maakt, mijn zwaktes naast
mijn kleren op de ongeveegde grond, en dit
is dan wat leven is, 
bepaald niet ongezond.

alles is een zootje dus laat ik gewoon eeuwig met mijn vingers door mijn o zo lekker ruikende haren gaan

Alles gaat mis, en ik kan nergens anders aan denken. Het begon vandaag met dat ik weer voor het eerst naar school ging. Nou, het begon het tweede uur al met een klasgenoot die zonder voorbereiding even lacherig in twee zinnen een betoog ging houden over waarom er niet bezuinigd moet worden op psychologische zorg. Dat was zin één. En zin twee: ‘In deze economische crisis worden mensen sneller depressief, omdat meer mensen ontslagen worden, en ja, dan springen ze voor de trein ofzo’, gevolgd door luid gelach, en de komende 3 uur was dit betoog van twee zinnen het gesprek van de dag.        Hoe is het mogelijk. Mijn tweede uur op school, sinds mijn ‘actie’. En het ging al weer mis. En het is de rest van de dag niet meer goed gekomen. Gewone dingen die doodnormaal zijn voor ‘normale mensen’ kan ik niet eens aan. Help. Na 8 uur is het gevoel er nog steeds, maar nu ben ik bang, want nu ben ik weer alleen, en niet temidden van de vele mensen zoals op school. Ik kan en wil dit niet meer.